Groenten










Aardappel

Zelf aardappels kweken

Kiem de pootaardappels eerst 3 weken voor, zodat er scheuten uit de aardappels komen. Leg de pootaardappels in bakjes – zonder aarde – op een plaats met veel licht en een temperatuur van ongeveer 10 °C.

Poten

Na het voorkiemen poot je de aardappels. Wanneer je dit doet, hangt af van het ras:

  • Vroege aardappelrassen: vanaf half maart

  • Halfvroege aardappelrassen: vanaf begin april

  • Late aardappelrassen: vanaf begin tot eind april

Maak een kuiltje in de grond van 5 tot 10 cm. Leg de aardappel in het kuiltje – met de uitlopers naar boven – en bedek hem met aarde. Zorg dat er tussen de aardappels minimaal 60 cm zit.

Bodem en bemesting

Aardappels hebben een voedselrijke, vochtige bodem nodig. Werk een flinke laag compost door de grond en geef regelmatig water, zeker bij warm weer. Het is echter niet nodig om de aardappels na het planten water te geven als de bodem nog vochtig genoeg is.

Aanaarden van aardappels

Zodra de plantjes 20 cm hoog zijn, pak je ze in met een extra laag aarde tot de onderste laag blaadjes. Met dit ‘aanaarden’ voorkom je dat de knollen boven de grond uitkomen.

Oogsten

Wanneer de blaadjes slap gaan hangen, is het tijd om te oogsten. Vroege rassen oogst je in juni, halfvroege en late rassen vanaf augustus. Steek bij het oogsten je schop diep onder de knollen zodat je ze niet beschadigt.

Goede buren, slechte buren

Goede buren van de aardappel zijn afrikaantjes, aardbei, munt, maïs, spinazie. Maar poot aardappelen niet naast selderij, tomaat of rode biet.

Tips

  • Gebruik een eierdoos om aardappels voor te kiemen.

  • Poot aardappels in een emmer als je een kleine tuin hebt.

  • Late aardappels kun je het langst bewaren, de kelder of schuur zijn een ideale plek.

  • Gebruik pootaardappels maar één keer om de kans op ziekten te verkleinen.

Andijvie

Andijvie kweken is net zo leuk als sla van eigen tuin; gemakkelijk te zaaien en te verzorgen, en binnen ongeveer 10 weken kun je al oogsten. Er zijn qua uiterlijk 2 soorten andijvie; andijvie met brede lepelvormige bladeren (die je vaak ziet in de supermarkt) en krulandijvie, met krullerige dunnere blaadjes, ze wordt ook wel frisée genoemd. Krulandijvie is door de dunnere blaadjes wat malser dan de grootbladige andijvie (om die reden wordt krulandijvie wat vaker rauw en in stamppotten gegeten). De smaak is verder hetzelfde, andijvie is familie van de witlof, vandaar de iets bittere smaak. Je zaait van maart t/m augustus.

Wanneer zaaien?

Je kunt andijvie zaaien van maart tot en met augustus. Oogsten kun je na 10 weken. Net als bij sla schiet andijvie wel sneller door in de warme zomermaanden waardoor je vaak een kleiner kropje kunt oogsten, al hangt dat ook vaak nog voor een deel af van het ras dat je zaait. Als je gespreid over de maanden zaait, kun je steeds blijven oogsten.

Waar zaaien?

Op een koele plaats binnen of buiten

Zaai de andijvie niet op een warme plaats in huis, daar kiemen de zaden al binnen een week maar worden ze ook heel snel lang en dun en zwak. Zet de potjes met zaden op een koele plaats, bijvoorbeeld op een onverwarmde slaapkamer of zolder in het volle licht in een raamkozijn (of later in de lente gewoon buiten), bij die lagere temperatuur kiemen de zaden binnen 2 weken maar groeien ze veel sterker en meer gedrongen op.

Hoe?

  • Je kunt andijvie in potjes of bakjes voorzaaien, gebruik er potgrond voor je die je wat luchtiger maakt door er een vijfde deel grof zand door te mengen, of gebruik zaai- en stekgrond.

  • Bedek de zaden met maximaal 0,5 centimeter grof zand of potgrond/zandmengsel.

  • Zaai in een potje van 5 x 5 centimeter niet meer dan 4 of 5 zaadjes, verspreid de zaadjes gelijkmatig over het oppervlak van het potje.

  • Als je genoeg zaadjes hebt is het ook heel handig om dus een paar zaden in maart te zaaien, en dan een maand later nog een keer, en misschien dan eind juli nog een keer (en zaai die 2 laatste keren dan vooral buiten voor). Zo kun je kroppen andijvie oogsten in juni, in juli en dan ook nog een keer in september/oktober.


Verzorging, verplanten zaailingen

Als de zaailingen ongeveer 4 centimeter groot zijn kun je ze van elkaar scheiden en ze apart van elkaar buiten uitplanten. Maak daarvoor de grond in het potje kletsnat. Met je handen kun je nu heel voorzichtig de zaailingen uit elkaar halen, laat zoveel mogelijk worteltjes intact. Plant elke zaailing die je los kunt halen van het kluitje direct uit in de volle grond. Laat tussen de zaailingen onderling 35 centimeter ruimte zodat ze genoeg ruimte hebben om een volwassen krop te worden. En geef elke plantje direct na het planten ruim water.

Andijvie in pot kan ook

Je kunt andijvie ook in potten telen, dan heeft elke zaailing een pot met een doorsnede van ongeveer 30 centimeter nodig.

Andijvie staat graag in de halfschaduw, en in lichtvochtige grond. Warmte in combinatie met droogte zorgen voor sneller doorschieten, dus geef regelmatig water als het niet regent, en geef water naast de plant, niet op de plant want dan kan het blad makkelijker gaan ´smetten´.

Andijvie heeft voeding nodig om genoeg blaadjes te maken en een mooie krop te vormen. In potgrond zit voldoende voeding voor 8 weken, en daar heb je voldoende aan want ongeveer 10 weken na het zaaien kun je de andijvie al oogsten. In de volle grond kun je ongeveer 2 weken voor je de zaailingen uit gaat planten wat algemene moestuinvoeding geven volgens de aanwijzingen op de verpakking. Omdat ze zowel in het zaaien als verzorgen en mest zoveel op sla lijkt kun je andijvie en sla heel goed samen telen, een vrolijk gezicht om beiden naast elkaar in de tuin te zien.

Oogsten en meteen eten!

Je oogst een krop andijvie zo kort mogelijk voor het eten, je kunt andijvie uit eigen tuin niet bewaren. Als je direct gaat eten kun je de krop zo dicht mogelijk bij de grond met een mesje van de wortels afsnijden, maar als je haar later eet kun je beter met beide handen de krop vasthouden en haar zachtjes met wortel en al uit de grond trekken. Zet de krop overeind in een emmer met een klein laagje water erin, en zet de emmer met de krop andijvie koel en donker. Zo bewaar je andijvie het best, maar ook dan niet langer dan 1 dag. Slap geworden kropjes/blaadjes kun je nog wel een beetje opfrissen door ze een kwartiertje in ijskoud water te leggen.

Aubergine

Aubergines hebben veel warmte nodig en kunnen daarom het beste in kas of onder een tunnel geteeld worden. Buiten in de volle grond is het een stuk moeizamer. We kunnen dan pas vanaf augustus een oogst verwachten, die een stuk geringer is dan onder glas of plastic. Onder de 21° groeien aubergines nauwelijks meer.

Zaaien

Voor de teelt in de volle grond is het gunstig om zo vroeg mogelijk te zaaien (februari), als we tenminste de mogelijkheid hebben om de planten warm te houden tot ze naar buiten kunnen, zo tegen begin juni. Als we die mogelijkheid niet hebben, is het beter wat later te zaaien (eind maart) of planten te kopen in een tuincentrum. Houd voor de vollegrondsteelt een plantverband van 50x50 cm aan, en in de kas 60-70 cm.

Bemesting

Bemest de planten gewoon met stalmest, kompost, of koemestkorrel. Als we dat allemaal niet in huis hebben, meng dan 1 a 2 volle handen potgrond door het plantgat.

Problemen

Mijn planten verwelken en sterven af.Het kan hier om Verticillum gaan, een in de bodem levende schimmel die planten laat verwelken. De oorzaak kan liggen in een slechte bodemstructuur. Verwijderen van zieke planten is de enige remedie.

Bloemen en vruchten gaan schimmelen.Schimmelaantastingen (Botrytis) kunnen vruchten laten rotten. De ziekte treed vaak op in een dichtbebladerd gewas, waarin de lucht niet goed kan circuleren. Pas dus wat snoei toe als dat het geval is, probeer in de kas meer te luchten.

Jonge plantjes worden aangevreten. Ik zie slijmsporen. Slakken vreten graag aan jonge planten. Neem dus beschermende maatregelen, bv een bierval. Later in het seizoen, als de stengel verhout is, blijven ze er wel vanaf.

Ik krijg wel bloemen, maar geen vruchten. Een slechte vruchtzetting is een veelvoorkomend probleem bij Aubergine, zowel in de kas als buiten. Probeer bestuivende insecten te lokken door bloeiende planten in de buurt te zetten. werd aanbevolen om Basilicum tussen de aubergines te planten.

Mijn mooie paarse vruchten worden bruin. Waarschijnlijk zijn ze overrijp. Als er ook harde zaadjes in blijken te zitten, weet je het zeker.

Gewasverzorging

In de kas is vormsnoei en opbinden belangrijker dan in de volle grond. Buiten in ons tuintje is het voldoende om wat steun te verlenen. Planten met rijpe vruchten vallen anders gemakkelijk om. We kunnen eventueel de lage dieven verwijderen om een wat krachtigere hoofdstengel te kweken.

In de kas laten we 3 of 4 hoofdtakken ontwikkelen, en halen we regelmatig dieven weg om de kroon luchtig te houden.

Oogsten en bewaren

Rijpe aubergines kunnen het beste bij een temperatuur van ongeveer 12° bewaard worden. Leg ze niet in de koelkast, want dan bederven ze juist sneller. Aubergines zijn zelfbestuivers, net als tomaat. Van de zaadvaste rassen kunnen we dus zelf zaad overhouden.

Bloemkool

Zaaien

Er zijn veel verschillende teeltwijzen voor bloemkool. Bij de zogenaamde weeuwenteelt wordt in het najaar gezaaid onder koud glas. Voor de winter worden de planten verspeend in potten. Ze overleven de winter in de koude bak en worden tegen eind maart in de volle grond geplaatst. Bij strenge vorst in de winter moeten de planten extra afgeschermd worden, en soms is ook nog extra bescherming nodig in maart/april bij nachtvorst. In mei/juni kan dan geoogst worden.

Bij de gewone vroege teelt kan in februari onder glas gezaaid worden. Deze plantjes kunnen tegen eind april de volle grond in. In deze periode kunnen ook plantjes in het tuincentrum gekocht worden, dat scheelt heel wat werk.

Voor een herfstteelt zaaien we in mei/juni in de volle grond, op een zaaibed. Zo'n zaaibed mag best een zanderige, arme grond zijn. De wortelstelsels zullen dan wat groter zijn, waardoor de plant makkelijker overgeplant kan worden en sneller zal starten. Na een week of 4, of als ze 10 cm lang zijn, worden de plantjes voorzichtig (met zoveel mogelijk kluit) opgenomen en op hun definitieve plek geplaatst.

De gemiddelde plantafstand voor bloemkool is ongeveer 60 x 60 cm.

Er zijn verschillende rassen voor voorjaars- en herfstteelt. Let hierop bij de aanschaf van zaad. Verder zijn er tegenwoordig ook rassen in andere kleuren dan wit: romanesco rassen vormen geel-groene torentjes die samen een kool vormen. Dit ras is voornamelijk geschikt voor de herfstteelt. Er nog paarse en oranje rassen te vinden.

Bemesting

Bloemkool stelt hoge eisen aan de bodemvruchtbaarheid; geef dus ruime hoeveelheden compost, liefst verrijkt met koemestkorrels of andere stikstofrijke mest. Ook een extra toevoeging met houtas is nuttig vanwege de extra kalium. Bloemkool moet zich kunnen ontwikkelen tot een flinke plant voor de bloei intreed, anders blijft ook het kooltje te klein.

Gewasverzorging

Zorg ervoor dat er geen vochttekort optreed tijdens de groei. Als de kool zichtbaar wordt in het hart van de plant, kunnen we een van de grote binnenste bladeren knakken en over de kool vouwen. Dit verhindert dat de kool vergeelt door de zon. We moeten verhinderen dat we de kool zelf met de vingers aanraken, dat kan later ook tot gele vlekken leiden. Sommige bloemkolenrassen zijn zelfdekkend, er blijven dan enkele bladeren om de kool heen gekruld.

Oogsten en bewaren

We moeten de kool oogsten voordat deze 'los' begint te worden aan de zijkanten. De bloemkool is immers eigenlijk een bloeiwijze, en deze zal zich gaan verheffen op lange stelen als we niets doen. Bloemkool is maar kort te bewaren, en verkleurt snel. Bewaar de kool na oogsten in het groentevak van de koelkast.

Butternut

De butternut (flessenpompoen) is een muskaatpompoen en behoort tot de komkommerfamilie. Deze soort is net als andere pompoenen een kruipende plant.

TEELTTIPS:

De pompoen is een plant die erg gevoelig is voor nachtvorst, dus zeker niet te vroeg uit planten. Normaal gezien kan je vanaf half mei zonder risico buiten planten.

Hou er ook rekening mee dat de plant veel ruimte nodig heeft. De pompoen groeit het beste in een zonnige omgeving omdat hij wel van warmte houdt. Om die redenen is het uitplanten op een composthoop zeker geen slecht idee, de warmte die vrijkomt bij het composteren is een weldaad voor de pompoen.

Voor het beste resultaat top je de plant van zodra hij ongeveeer een halve meter groot is, zodat hij zijscheuten kan vormen. Houdt 2 tot 3 zijscheuten aan. Wanneer de plant een aantal vruchten heeft aangelegd dan kan je beter de steeds opkomende zijscheuten weg halen zodat alle energie van de plant naar de vruchten kan gaan.

Pompoenen hebben veel water nodig, probeer dus de grond vochtig te houden maar ook weer niet te nat. Bij zeer warme dagen is het raadzaam om zelfs tot tweemaal per dag water te geven, de grote bladeren verdampen immers enorm veel.

PROBLEMEN EN ZIEKTES:

De belangrijkste ziekte in pompoenen is meeldauw. Deze ziekte is te herkennen aan de witte vlekken op het blad. Meeldauw treedt meestal later in het seizoen op. Het blad zal afsterven maar je zal er nagenoeg geen productieverlies onder lijden.

OOGST EN BEWARING:

Pompoenen kunnen echt niet tegen nachtvorst, dus hou het weerbericht in het oog en oogst zeker voor de eerste herfstnachtvorst. Lichte vorst kan al fataal zijn.

Pompoenen voor consumptie dien je in een vroeg stadium te oogsten, pompoenen voor decoratie kunnen gerust iets langer aan de plant blijven. Bij te grote vruchten gaat de smaak immers achteruit. Het ideale moment om pompoenen te oogsten is eind augustus, begin september. Een pompoen is rijp wanneer op de vruchtstengel overlangs strepen verschijnen, deze strepen lijken een beetje verkurkt te zijn.

Als je de pompoen gaat oogsten laat dan altijd een steeltje van een centimeter of vier aan de pompoen zitten, dit komt de bewaarbaarheid ten goede. Oogst pompoenen voorzichtig om beschadiging, en dus naar alle waarschijnlijkheid in een later stadium ook verrotting, te voorkomen. Bewaar pompoenen op een droge, niet te koude plaats. Zo kan je ze tot wel vier maand bijhouden.

Het ideale moment om butternut te oogsten is begin september, eind oktober (al naargelang het weer en de plantdatum). Een butternut is rijp wanneer de schil dieporanje verkleurd en de schil hard word. De steel gaat verdrogen of kurkachtig worden.

CULINAIR:

De butternut is een vrucht die rauw, geroosterd, gepureerd of gestoofd gegeten wordt. Ook voor soepen en curry's of als vulling voor brood en gebak is deze pompoen goed te gebruiken. De schil en zaden zijn eetbaar maar worden niet veel gebruikt.

Een van de meest voorkomende manieren om deze pompoensoort te bereiden is deze te roosteren. Snijd de pompoen in dikke plakken en besprenkel deze met olie. Plaats deze plakken op de gril, met de olie kant op de bakplaat.

Courgette

De courgette is een grote plant, hier op de vette klei neemt ze gemakkelijk een vierkante meter in beslag (en ook wel zo’n 70 centimeter hoog), met een goede bemesting gaat ze die afmeting op zandgrond ook vast halen.

De opbrengst is echt enorm, sommige planten geven wel meer dan 30 of 40 vruchten per plant. Hoe meer je (jong) plukt, des te meer zal ze geven. Als je stopt met plukken zal ze uiteraard haar energie gaan gebruiken voor de zaadteelt en slechts weinig maar zeer grote courgettes geven. Dus blijven plukken!

Zaaien

Zaai courgettes binnen voor in april in potten met gewone potgrond (een plant per pot). Eind mei hebben we dan plantjes die groot genoeg om uitgeplant te kunnen worden. Voor een gemiddeld gezin is 1 - 2 planten wel voldoende - tenzij we ook de rest van de buurt van courgettes willen voorzien. Plaats de planten op een open, zonnige plaats. Een flinke plant neemt al gauw 1 m2 in beslag.

Naast de gewone groene varieteit is er ook een gele en een gestreepte variant. De smaak is hetzelfde.

Bemesting

Net als andere pompoenachtigen houden courgettes van een rijke bodem met een goede structuur en veel organische materiaal. Gebruik dus ruim compost, stalmest of koemestkorrel. Ideaal is ook een plek waar eerder een composthoop heeft gestaan.

Ziekten en plagen

Over het algemeen is er weinig last van ziekten en plagen. Slakken kunnen jonge planten aantasten, het oudere blad krijgt op den duur last van schimmelaantastingen.

Vruchtvuur (Cladosporium cucumerinum) is een schimmelziekte die kurkachtige plekjes op de vruchten veroorzaakt met een gomachtige afscheiding. De ziekte treed vooral in het najaar op, als er een aantal koude nachten is geweest.

Gewasverzorging

Zorg ervoor dat de bodem niet uitdroogd. Laat de uitgebloeide vrouwelijke bloemen nog een tijdje aan de jonge courgette zitten. Verwijder vruchten die te groot zijn geworden. Onder te koude omstandigheden in het vroege voorjaar kan het zijn dat er alleen maar vrouwelijke bloemen komen en geen mannelijke, waardoor we geen vruchtzetting krijgen. Als het weer warmer wordt, komen er ook weer mannelijke bloemen.

Oogsten en bewaren

Courgettes zijn het smakelijkst als ze niet al te groot zijn (max. 25 cm). Grotere vruchten krijgen harde zaden en het vruchtvlees wordt voos. Als we de vruchten laten zitten, kunnen ze wel 70-80 cm lang worden. De bloemen van courgettes zijn ook eetbaar en worden soms in salades verwerkt.

Bijzonderheden

Als we courgettes en pompoen in dezelfde tuin verbouwen en zelf zaad overhouden, kan het zijn dat er een kruising tussen zit.

Erwten

Zaaien

Erwten kunnen al vroeg gezaaid worden - vanaf eind februari kunnen ze bij mooi weer de volle grond in. We zien dus als eerste een steeltje uit de gond komen, dat daarna bladeren gaat ontwikkelen. Ondanks deze kiemwijze hebben erwten last van vogels die de gekiemde erwten opgraven. Leg daarom iets over het zaaisel heen; vliesdoek, takken, of span draden. Zaai de zaden ongeveer 4 cm diep. Het plantverband hangt af van de lengte van het ras - deze kan varieren van 40 cm tot 2 meter. Houd voor de kortste rassen 70 cm aan tussen de rijen, en voor de langste 1.40 meter. De lage rassen (stamdoppers, bv 'wonder of America') hebben geen steun nodig, de grotere rankende types wel. In de rijen kunnen we om de 3-5 cm een erwt zaaien in een voortje, dat we daarna met aarde vullen en goed aandrukken. Orienteer de rijen liefst Noord-Zuid voor een gelijkmatig gewas. De rankende erwtenrassen moeten gesteund worden met rijshout of gaas. De ruimtes tussen de rijen kunnen we gebruiken voor andere gewassen: bv radijs, sla, wortel.

Er is verder nog onderscheid te maken tussen rassen waarvan de droge erwt rond is, en rassen waarvan de droge erwt gerimpeld is. De ronde zijn wat minder zoet maar zijn beter bestand tegen de vorst en goed voor de zeer vroege teelten.

Bemesting

Erwten vereisen een grond met een goede structuur, maar zware bemesting is niet nodig. Spit het land goed diep om en werk wat compost in.

Ziekten en plagen

Erwten kunnen nogal wat last van ziekten en plagen hebben, pas daarom altijd een vruchtwisseling toe en wacht liefst 5 jaar voordat teruggekeerd wordt op het zelfde stuk land. In de praktijk van de kleine moestuin valt het meestal wel mee met de ziekten en plagen, zolang we zorgen voor een gezonde bodem.

Grauwe schimmel bedekt bloemen en peulen met een grijs viltig laagje. Verwijder zieke delen en dun eventuel wat uit zodat het gewas sneller opdroogd. Meeldauw zorgt voor witte poederachtige vlekken op de bladeren. Het optreden van deze ziekte is meestal een teken van een onbalans in het gewas. het kan zijn dat het gewas te droog of te nat is, of teveel bemest.

Rupsen van de erwtenpeulboorder eten van de jonge erwtjes. De mot legt in mei/juni eitjes en brengt dan de meeste schade toe. We kunnen dit beestje vermijden door heel vroeg of heel laat te zaaien.

Gewasverzorging

Soms moeten we de erwten wat leiden. Zorg er verder voor dat de bodem goed onkruidvrij en los blijft.

Oogsten en bewaren

Pluk de peulen als ze groot genoeg zijn geworden, de groei neemt af als we een gedeelte laten doorrijpen. Laat eventueel alleen de laatste pluk doorrijpen om droge erwten te kunnen oogsten.

Exotische groenten - Mosterdsla

De lichtgroene ovale bladeren van Amsoi (syn. Amsoy)met weinig bladsteel groeien in een rozetvorm en smaken enigszins bitter. Over de oorsprong van dit gewas lopen de meningen uiteen. Persoonlijk ben ik van mening dat de plant waarschijnlijk afkomstig is uit China en vandaar is verspreid door Azië en Afrika. Men stooft of roerbakt voornamelijk de hardere grotere bladeren maar als jong blad kan men het fijnsnijden en gebruiken als tuinkers.

Men kan het gewas in de volle grond zaaien van half april tot half september. Bij zaaien onder plat glas kan men een maand eerder beginnen en een maand later eindigen. In verband met een grotere kans op het in zaad schieten van deze kortedagplant is het niet aan te bevelen te zaaien tussen half mei en eind juni. Amsoi is redelijk winterhard. Men zegt dat een kleine plant van circa 10 cm hoogte 20 graden vorst kan verdragen. Maar ik vrees, dat de smaak minder bitter wordt. Enkele synoniemen zijn mosterd en sereptamosterd.

Verder kent men naast het type met groen blad ook een type met rood blad en met een krullend gekarteld blad.

Een andere variant is de plant die Chinezen aan duiden met de naam Groen in de sneeuw (Brassica juncea var. multiceps). Dit heeft een klein hard blad Het is uitermate geschikt voor de winterteelt in de volle grond. Het kan zelfs strenge vorst verdragen, zodat het de hele winter door geoogst kan worden. Dit gewas is ook bekend onder de namen Cheerio en Serifon.

De Kaisoy (Brassica juncea) een kleinere (Amsoi) maakt in het hart een klein kropje ook de bladeren zijn lichter van kleur. Een synoniem is Chinese Amsoi.

Komatsuna (Brassica campestris) lijkt erg in smaak en vorm op Amsoi maar zijn in feite consumptieknollen. Maar ze worden geteeld om hun bladeren en bladstelen. Een Synoniem is Mosterdspinazie. Mosterdsla geeft een pittige toets aan jouw slaatje of burger.

TEELTTIPS:

Mosterdsla is een bladgroente, het is een koolsoort waarvan de blaadjes worden gegeten, alhoewel de naam dit niet doet vermoeden. De plant is éénjarig en kan wel wat vorst verdragen. Mosterdsla groeit zowel in de zon als in de halfschaduw, liefst op een losse, humusrijke bodem. De blaadjes zijn het lekkerst als ze jong geoogst worden!

GEBRUIK:

Mosterdsla smaakt het lekkerst geteeld als babyleaf, dit wil zeggen dicht op elkaar gezaaid en jong geoogst (wanneer de plantjes zo een 15 cm hoog zijn). Mosterdsla heeft een pittige, frisse smaak. Het zorgt voor een pittige toets in een slaatje. Ook op een belegd broodje smaakt wat mosterdsla heerlijk. We kunnen mosterdsla ook toevoegen aan wokgerechten.


Groene kool

Zoals de andere koolsoorten is savooikool een variëteit die afkomstig is van de wilde kool. Een overblijvende plant die voorkomt langs de kusten van West-Europa en in het mediterrane gebied. Savooikool behoort tot de sluitkolen. Het is een tweejarige plant die het eerste jaar de kool vormt en het tweede jaar, als je ze laat staan, bloeit. Vooral het grof, leerachtige en gekrulde blad valt op bij deze koolsoort. Het buitenste blad ontvouwt zich maar de andere bladeren zitten dicht bij elkaar en vormen een vaste, dichte krop. Het is een typische wintergroente die al eeuwenlang bekend is, niet alleen om zijn culinair gebruik maar ook omwille van de geneeskrachtige werking.

Savooikool is rijk aan calcium, ijzer, fosfor, magnesium, vezelstoffen, eiwitten en Vitamine C

Teelt

De meest toegepaste teelt is de late teelt. Hiervoor wordt eind april of in mei in volle grond gezaaid. Uitplanten gebeurt in juni tot half juli. Jonge planten kunnen ongeveer na zes weken worden uitgeplant. Zet de planten op rijen die 60cm uit elkaar liggen en zet ook de planten 60cm onderling uit elkaar.

Zoals de meeste koolsoorten vraagt savooi een voedzame, vochthoudende maar goed doorlatende grond. Savooi doet het echter ook op een lichtere grond. De planten maken een vrij breed en diep wortelstelsel, vandaar dat een humusrijke grond van belang is. Zure grond kan problemen geven. In de groeiperiode vooral regelmatig water geven.

Enkele tips:

  • vruchtwisseling is van groot belang bij de teelt van kolen.

  • zorg voor gezond plantgoed

  • dompel het plantgoed eventueel in een heermoesaftreksel.

  • vermeng kalk onder de grond alvorens uit te planten.

  • op vochtige slempgevoelige grond kun je beter kolen telen op verhoogde bedden.

  • niet uitplanten in koude grond

  • plant geurende kruiden in de buurt van kolen. Hierdoor worden schadelijke insecten misleid. Hyssop bijvoorbeeld zou het koolwitje meer aantrekken dan de kolen in de buurt.

  • na de oogst geen plantenresten laten staan.

  • u kan de jonge planten ook in bodemloze potten planten die gevuld worden met een potgrond waaraan kalk is toegevoegd.

  • laat ook geen planten of onkruiden in de buurt van kolen groeien die tot de kruisbloemfamilie behoren: koolzaad, gele mosterd, veldkers, pinksterbloem, judaspenning, herderstasje. Sommige van deze planten worden ook als groenbemester gebruikt! Gebruik deze dus niet op het perceel waar je kolen gaat telen.

Ziektes

Bij koolgewassen kan vooral knolziekte voor problemen zorgen. Dit kan je voorkomen door vruchtwisseling toe te passen en zeker zo'n 4 jaar te wachten vooraleer opnieuw kolen op hetzelde perceel te telen.

  • Koolvlieg kan je vermijden door de jonge planten af te dekken met bvb vliesdoek, of door koolkragen rond de planten aan te brengen.

  • Koolgalmug. kan je vermijden door vruchtwisseling toe te passen, natuurlijke vijanden inzetten of bijvoorbeeld selderie en tomaten tussen de kolen tre planten.

  • Slakken

Bewaren

Savooi is winterhard en kan dus in de tuin blijven staan. Eenmaal geoogst is het niet echt een bewaarkool. Je kan savooikool ongeveer een week bewaren in het groentevak van de koelkast. Kan makkelijk worden ingevroren (eerst blancheren).

Let er bij aankoop op dat de kool een mooie groene (niet geel) kleur heeft en stevige bladeren.


Recepten

Savooikool wordt ook wel versneden om zuurkool te bereiden.

Extra tip

Je kan de (hinderende) geur van kolen tijdens het koken min of meer ongedaan maken door een stukje geroosterd brood of een beschuit bij het kookvocht te doen.

Kool kan bij sommige mensen winderigheid veroorzaken. Dat kan je verhelpen door een kopje thee van karwijzaad te drinken.

Groenlof

Groenlof (Cichorium intybus var foliosum) is geen alledaagse groente, ik geloof niet dat ik hem ooit in de supermarkt heb zien liggen. Voor wie weer eens wat anders op het bord wil, is het echter een interessante groente. Witlof en groenlof behoren tot dezelfde plantensoort, maar zijn verschillende rassen en hebben een heel andere teeltwijze. Bij witlof gaat het om de kropjes die in het donker getrokken worden, bij groenlof gaat het om het groene blad. Groenlof vormt een slanke krop, waar de bladeren strak omheen gedraaid zitten.

Groenlof wordt rauw of kort gekookt (geroerbakt) gegeten. De smaak zitten tussen witlof en andijvie in maar heeft ook wat zoetigs. De teelt is niet moeilijk.

Zaaien

Groenlof wordt gezaaid van 1 juni tot half juli. De data zijn belangrijk want eerder zaaien geeft planten die snel doorschieten. Zaai dun in rijtjes in de volle grond en dun later uit. Houd een plantverband aan van 35 cm tussen de rij en 25 cm in de rij. Zaai niet dieper dan 1 cm. Bij erg droog weer is het raadzaam om het zaaisel af te dekken met vliesdoek om uitdroging van het zaad te voorkomen. De kiemduur is 7-10 dagen.

Wie maar enkele planten wil telen, kan ook voorzaaien in potten en later uitplanten. Dat geeft wat meer controle over de plantafstand.

Bemesting

Groenlof heeft net als witlof maar weinig bemesting nodig. Wat compost is al voldoende. Gezien de late zaaidatum, is groenlof heel geschikt als volggewas na een voorjaarsteelt (erwten, tuinbonen, peultjes). Groenlof doet het op elke grondsoort.

Ziekten en plagen

Groenlof heeft maar weinig last van ziekten en plagen.

Gewasverzorging

In het begin van de teelt is er zorg nodig om de juiste plantafstand te krijgen (uitdunnen) en het gewas onkruidvrij te houden. Later kunnen we eventueel wat oud blad weghalen om wat meer lucht bij de planten te krijgen en schimmelziekten te voorkomen.

Oogsten en bewaren

Groenlof kan lichte vorst verdragen, maar sterft af als het harder gaat vriezen. Op een koele plek (schuur) kunnen de kroppen in de winter nog wekenlang bewaard worden. Laat dan het buitenste blad zitten en haal het er pas af als de krop geconsumeerd wordt.

Kardoen

Kardoen (Cynara cardunculus) is een nauwe verwant van artisjok. Het is een weinig bekende groente, die je niet gauw bij de groenteboer of in de supermarkt zult aantreffen. Van de plant word het onderste deel van de bladschede gegeten. Dat stuk kan ook gebleekt worden door aan te aarden (foto). De planten worden enorm groot en vragen dus de nodige ruimte. Als we ze door de winter weten te krijgen, kunnen we een jaar later van de bloemen genieten. Die doen het prachtig in een boeket, en kunnen ook gedroogd worden. Ze lijken op artisjokken, maar hebben niet het eetbare gedeelte (de verdikte schutbladeren).

Zaaien

Zaai voor vanaf maart-april. Verspeen de plantjes in afzonderlijke potjes als ze stevig genoeg zijn en plant ze half mei uit in de volle grond. Je kunt ook 1 zaad per potje zaaien, dan hoef je niet te verspenen. Zet de planten minstens 80 cm uit elkaar, ze worden behoorlijk groot. Eventueel kun je in de tussenruimte tijdelijk wat kleinere gewassen telen.

Bodem en bemesting

Bemest met compost en/of koemestkorrel in het plantgat. Een goede bodemvruchtbaarheid zorgt voor mooie forse planten.

Oogsten

Aard de voet van de plant aan tegen half september. Eventueel kunnen de bladeren bij elkaar gebonden worden om dat karweitje gemakkelijker te maken. Een maand later kunnen de bladstelen geoogst worden. Snij ze bij de grond af tot een lengte van zo'n 50 cm. Schraap de vezels van onder- en bovenkant af, snijd de stengels in stukjes en stoof ze tot ze gaar zijn.

De smaak lijkt wat op die van de echte artisjokken.

Knolcapucien

Tropaeolum tuberosum komt oorspronkelijk uit het Andesgebergte in Z-Amerika.

Het is een klimplant met rood/oranjegele komvormige bloemen met lange sporen.

Wordt vooral gekweekt voor hun eetbare knollen. Lijken op een aardappel en zijn opvallend rood, geel en wit van kleur, hebben een pikante radijsachtige smaak

Ze worden in de keuken gebruikt, ongeschild rauw, gegrild, gekookt of gewokt. Ook erg lekker in een hutspot.

Blad en bloemen zijn ook eetbaar en kunnen in een salade gebruikt worden.

Voorkweken in pot vanaf eind maart tot half mei,

Plant ze dan uit na de ijsheiligen, liefst voor het einde van de maand mei op een goed doorlaatbare en vruchtbare grond.

Men kan ze ook wel in kuipen telen en voor de vorst naar een vorstvrije plaats verhuizen. Zo bekomt men grotere knollen die men dan in november/december kan rooien.


Knolselder

Zaaien

Selderij is een zogenaamde 'lichtkiemer', dat wil zeggen dat de zaadjes alleen onder invloed van licht kunnen kiemen. Zaai daarom op de aarde, en bedek het zaad niet. Druk de zaadjes gewoon licht aan. Zaai niet te veel zaad - het is zo fijn dat we neiging hebben om meer te zaaien dan we kunnen gebruiken. Houd het zaad wel vochtig, en dek het eventueel in eerste instantie af met geperforeerd plastic. De kiemduur is ongeveer twee weken. Het lijkt dan of het zaadje zich verheft op een steeltje. Het kan nog een week duren voor we de eerste blaadjes zien. Zodra de plantjes goed opgekomen zijn, kan het plastic verwijderd worden. Voor de rassen met de langste groeiduur is het het beste om in februari al te zaaien. De rassen met een kortere groeiduur kunnen in maart gezaaid worden. We kunnen de potten met zaad het beste binnenshuis op de vensterbank zetten - te lage zaaitemperaturen kunnen er toe leiden dat de planten later voortijdig gaan schieten. Verspeen de plantjes in aparte potjes zodra ze twee of drie echte blaadjes hebben. Hard de planten af en plant ze in de volle grond als ze er voldoende stevig uitzien. Plant ze op ongeveer 40 cm van elkaar, eventueel wat meer voor de wat grovere rassen.

De teelt van knolselderij is niet echt iets voor beginnende moestuiniers : het groeiseizoen is erg lang en een juiste bemesting is erg belangrijk.

Bemesting

Knolselderij verlangt een rijke bodem, maar teveel stikstof kan averechts werken; er wordt dan veel blad gevormt maar vrijwel geen knol. Bemest daarom liever met compost of goed verteerde stalmest, en niet met kunstmest of verse mest. Knolselderij heeft daarentegen wel graag een bodem die rijk is aan Kalium. Dit kunnen we bijvoorbeeld bereiken door wat extra houtas aan de bodem toe te voegen. Knolselderij doet het beter op klein en zavel dan op zandgrond. Op zandgrond geteelde knolselderij is minder goed houdbaar.

Ziekten en plagen

Bladvlekkenziekte is een schimmelziekte die op het blad te zien is in de vorm van kleine bruine en gele vlekjes. Het loof kan in zijn geheel vergelen en verdrogen. Probeer de ziekte te herkennen en verwijder rigoreus het aangetaste materiaal. Pas een vruchtwisseling toe als de ziekte zich voordoet. Wantsen kunnen het hart van de blant beschadigen, waarna de knol kan gaan rotten. wees er alert op en dek eventueel af met insectengaas.

Gewasverzorging

Knolselderij rassen verschillen in de hoeveelheid blad die ze maken. De soorten met relatief weinig blad hebben een kortere groeiduur en zijn dus eerder te oogsten. Dat is belangrijk - we hebben in de moestuin niet altijd ideale groeiomstandigheden en dan kan het erg lang duren voor de selderij een fatsoenlijke knol vormt. Helaas staat bij de gekochte plantjes uit het tuincentrum vaak niet vermeld om welk ras het gaat. Overweeg daarom toch om het een keer te proberen met zelf zaaien.

Selderij heeft verder voldoende vocht nodig om goed aan de groei te blijven. Geef dus veelvuldig water in droge perioden.

Bij een gewas met veel loof kan het zinvol zijn om het blad terug te snoeien tegen het optreden van schimmelzieken.

Oogsten en bewaren

De knollen kunnen gebruikt worden zodra we ze groot genoeg vinden. Controleer dit bij de eerste planten eventueel door wat aarde weg te graven langs te knol. In december kan alles beter uit de grond gehaald worden. We kunnen de knollen dan nog de hele winter goed houden in een kist met zand op een vorstvrije plaats.

Jonge planten van knolselderij zijn moeilijk te onderscheiden van bladselderij en bleekselderij. Het verschil wordt pas echt duidelijk als de knollen zich beginnen te ontwikkelen. Overigens kan het blad van knolselderij ook gewoon gebruikt worden, bv als kruid in de soep.

Konkommer

Zaaien

Zaai komkommers vanaf half april binnen in potten. In de tweede helft van mei kunnen ze dan buiten uitgepoot worden. Kaskomkommers kunnen eerder gezaaid worden.

Bemesting

Komkommers hebben behoefte aan een rijke grond met veel organische stof. Eventueel kan er in de loop van het seizoen extra bemest worden, door bv compost rond de stengel te leggen. Zo'n laagje compost beschermt tevens de wortels die aan de oppervlakte verschijnen.

Ziekten en plagen

Komkommers worden vaak geant om ze meer weerstand te geven tegen een aantal bodem-gerelateerde ziekten. Als onderstam wordt meestal een pompoenen-soort gebruikt (Cucurbita ficifolia). Ook planten die te koop worden aangeboden in tuincentra zijn meestal geent. Diverse schimmels (waaronder de echt meeldauw) kunnen het blad en de vruchten aantasten. Probeer deze ziekten te voorkomen door evenwichtig te bemesten en water te geven, en door overbodig blad te snoeien. Verwijder altijd het aangetaste blad. In de biologische teelt wordt ook wel aanbevolen om te spuiten met een aftreksel van heermoes, dat de bladeren versterkt. Verder worden schimmels op het blad bestreden met een knoflookaftreksel of een zwavel-houdend biologisch middel.

In de kas is het van belang om goed te blijven luchten.

Gewasverzorging

Komkommers hebben veel warmte nodig en worden daarom meestal in de kas geteeld. Buiten wil de teelt echter ook wel lukken als het weer een beetje meezit. Het ras chinese slang is wel geschikt voor de buitenteelt. Dit ras vormt echter zaad, de doorsnee commerciale komkommer vormt vruchten zonder zaad.

Om een goede opbrengst te verkrijgen moeten we aandacht besteden aan het opbinden en snoeien. In de kas worden komkommers langs een touw gebonden tot een hoogte van 2 meter, en daarna verder horizontaal geleid. De lage stengelscheuten (dieven) en vrouwelijke bloemen langs de lengteas worden meestal weggenomen. Dit dieven zorgt er voor dat de plant zijn energie stopt in het maken van een stevige stengel die later veel vruchten kan dragen. Niet-dieven leid tot een bossige groei met veel kleine stengeltjes en dito vruchten. Vanaf ongeveer een meter of hoger langs de hoofdas en op de bovenste zijassen kunnen we zijscheuten met vruchten laten groeien. Deze zijscheuten toppen we als ze een of twee vruchten dragen. Komkommers die buiten staan kunnen we ook het beste met touw opbinden, of tegen een raster van gaas laten groeien. Opbinden tegen een tonkinstok is lastiger bij komkommer omdat de stengel daar niet stijf genoeg voor is. De plantafstand hangt een beetje van de manier van opbinden af. Tussen de planten zal die minstens 80-100 cm bedragen.










Koolrabi

Zaaien

Koolrabi kan vanaf half mei rechtstreeks in de volle grond op rijen gezaaid worden. Vanaf begin april kunnen we echter ook planten voortrekken in de koude bak, of binnen op de vensterbank. Zaai rechtstreeks in perspotjes of turfpotjes, dan hoeft er niet meer verspeend te worden. Na 4-6 weken kunnen de plantjes de volle grond in. Zet ze in een verband van 30 x 30 cm.

Er zijn verder paarse en geel/groene rassen te verkrijgen.


Bemesting

Net als andere kool planten moeten koolrabi snel kunnen groeien en vereist daarom een losse, voedzame bodem met een goed vochthoudend vermogen. Bemest daarom met stalmest of compost. Verrijk een puur plantaardige compost eventueel met koemestkorrels. In de professionele teelt wordt tijdens het groeiseizoen nog een keer bijgemest met kunstmest als de knollen enkele centimeters dik zijn.


Ziekten en plagen

Koolrabi heeft last van dezelfde ziekten en plagen als witte kool. De paarse variant heeft misschien wat minder last van rupsen van het koolwitje, die vallen beter op op het donkere blad en worden daardoor sneller opgespoord door vogels.


Problemen

  • Pas gezaaide plantjes verwelken en sterven af. Waarschijnlijk het gevolg van een kiemschimmel. Zaai opnieuw in schone potgrond, kies een grotere pot of maak een zaaibedje in de volle grond.

  • De planten verwelken en groeien niet meer, of sterven in hun geheel af. In wortels en onderste stengeldelen zijn bruine graafgangen te zien. Het gaat waarschijnlijk om de koolvlieg.

  • De planten verwelken en groeien niet meer, of sterven in hun geheel af. De wortels zijn grillig vervormd.Het gaat hier waarschijnlijk om knolvoet..

  • Het hart van de koolplant ziet er raar uit en groeit niet verder. In de top van de jonge plant zijn vreemde vergroengen te zien. Dit heet ook wel draaihartigheid en wordt veroorzaakt door de koolgalmug. Deze mug vliegt vanaf mei en legt haar eitjes in de groeipunten van de kool. De larven veroorzaken dan een afsterven van het groeipunt en/of vergroengen, waarna de boel ook nog eens kan gaan rotten. Tegen dit beestje kunnen we het beste insectengaas gebruiken (maaswijdte < 2 mm). Na het sluiten van de kool (het groeipunt raakt bedekt omdat de kool een krop begint te vormen) is dit gevaar geweken.

  • De bladeren worden aangevreten in een onregelmatig patroon. Er zijn slijmsporen te zien. De planten worden aangevreten door slakken. Kies een combinatie van bestrijdingsmethoden die in jouw situatie het beste uit te voeren is.

  • De bladeren worden aangevreten in een onregelmatig patroon. Er zijn rupsen op de kool, en er zijn uitwerpselhoopjes te zien.

  • Er zijn veel rupsen met een gelig lichaam, zwarte kop, en zwarte punten. Dit is het grote koolwitje.

  • Er zijn enkele solitaire rupsen. Ze zijn groen van kleur en hebben een gele zijstreep. Dit is het kleine koolwitje

  • Er zijn veel rupsen die grijsgroen van kleur zijn met zwarte puntjes en een lichte kop. Oudere rupsen hebben een donkere streep op de rug.Dit is de kooluil.

De bladeren zijn bezaaid met kleine ronde gaatjes. Dit is het werk van de aardvlo..

  • Er zijn witte vlekken op de onderkant van de bladeren. Als ik ze aanraak, vliegen witte vliegjes op. Dit is de koolwittevlieg.

  • Er zijn grote happen uit de bladeren. Sommige planten zijn in hun geheel verdwenen. Bij dit soort schade moet je denken aan grotere dieren, bijvoorbeeld konijnen. Kijk naar uitwerpselen of pootafdrukken. Zet gaas om de planten heen.

  • Mijn planten blijven altijd aan de kleine kant. Probeer de bemesting eens wat op te peppen. Zelf gemaakte goed verteerde compost bevat alles wat een plant nodig heeft. Dierlijke mest of koemestkorrels zorgen voor extra stikstof. Beendermeel is een goede bron van fosfaat. Koolrabi kan verder baat hebben bij wat extra Kalium. Dat zit bv veel in houtas.

Gewasverzorging

De vochthuishouding is van belang bij koolrabi - jonge planten moeten goed aan de groei blijven, oudere planten met knollen kunnen scheuren als er te grote wisselingen in vochtgehalte van de bodem zijn.

Oogsten en bewaren

Het eetbare deel van de koolrabi is de verdikte stengel. Op de knol zelf zien we de bladvoeten nog zitten. Bij een zaai in maart of begin april kan er vanaf midden/eind juni geoogst worden.

Laat de knollen niet groter worden dan een tennisbal. als ze te groot worden of te lang blijven staan, worden ze vezelig.

Verwar koolrabi niet met koolraap. Bij koolrabi zit de knop boven de grond, bij koolraap half onder de grond. Koolrabi heeft een zachte, aangename koolsmaak.



Kropsla

Sla kweken is hartstikke leuk.

Zelf sla kweken: zorg voor een luchtige en vruchtbare grond

Sla houdt van vruchtbare grond. De plantjes hebben veel bladeren in verhouding tot een redelijk zwak wortelgestel en daarom moet de grond lekker los en vochtig zijn, maar zeker niet te nat. In het voor- en najaar is het belangrijk dat de sla zonnig staat, in de zomer kan een beetje schaduw geen kwaad.

Wanneer sla zaaien?

De meeste slasoorten kun je van maart tot augustus direct buiten zaaien. Het beste is om kleine beetjes tegelijk te zaaien, zodat je de oogst bij kunt houden. Want een slaplant die te lang staan zonder geoogst te worden, schiet door. De plant zal gaan bloeien en de blaadjes sterven af.

Slaplantjes kan je binnen voorzaaien

Je kunt slaplantjes ook binnen voorzaaien, bijvoorbeeld omdat je veel slakken en vogels in de tuin hebt of omdat het buiten nog te koud is.

Binnen voorzaaien is ook een goed idee als het buiten té warm is. Zodra de temperatuur hoger is dan 25°C, gaat het slazaad in rust en weigert het te kiemen. Dit kun je voorkomen door binnen voor te zaaien op een koele plek. Zodra de groene puntjes zichtbaar zijn, mogen de plantjes naar buiten.

Geef sla voldoende water

Laat een slaplantje nooit uitdrogen, dan worden de bladeren taai en de bladranden bruin. Geef dus bij droogte voldoende water, liefst in de ochtend, zodat de plantjes goed kunnen opdrogen. Kropsla gaat vrij snel rotten wanneer de bladeren te lang nat blijven. In het najaar kan dit een probleem zijn, met name bij ijsbergsla.

Het oogsten bij kroppen sla

Bij sla die in losse kroppen groeit kun je ook losse bladeren afsnijden. Neem hiervoor altijd de buitenste bladeren. De plant groeit dan gewoon door zodat je kunt blijven oogsten.

Bij echte kropsla zoals botersla snijd je de krop aan de voet af. Wacht hier niet te lang mee want dan schiet de sla door. Kropsla kun je wel een paar dagen koel bewaren, maar losse blaadjes moet je meteen opeten.

Zelf groenten kweken

Zelf groenten en fruit kweken geeft veel voldoening en geeft je volop verse producten. Varieer, probeer af en toe wat nieuws uit en geniet vooral van de gerechten die je met jouw eigen groenten en fruit maakt.

Labboon

De tuinboon is een winterharde, eenjarige hoge plant met vierkante stengels en mooie witte bloemen (met een bruinrode vlek), waaruit later de lange peulen met eetbare zaden ontstaan. Botanisch gezien behoort deze 'oerboon' tot de wikkefamilie. Tuinboon behoort tot de oudste cultuurgewassen die reeds zo'n 4000 jaar geleden ondermeer reeds in het oude Egypte werd verbouwd. Het is ook één van de eerste lentegroenten, vanaf half mei worden ze zowat aangeboden in de groentewinkels. Vooral in het zuiden van Italië werd de tuinboon volop geteeld en stond ze er bekend als 'la carne del povero' of het vlees van de arme. Ze bevatten een hoog gehalte aan belangrijke eiwitten (legumine en albumine).


Goed om weten: Middelgrote en grote tuinbonen moeten worden gedopt, dit is een werkje waarvoor je best rubberen handschoenen aantrekt want anders worden je vingers en handen zwart van het sap van de peulen.

Voordat Columbus met allerlei andere, moderne bonen uit De Nieuwe Wereld terugkwam, was de tuinboon een belangrijke voedingsbron omdat ze rijk was aan proteïnen.

Teelt

Tuinbonen kiemen goed in koude periodes (minimale kiemtemperatuur = 5°C) daarom kunnen ze reeds vroeg in het jaar gezaaid worden. Vanaf half februari kan er worden voorgezaaid onder koud glas, eventueel in potjes door twee à drie zaden per potje te leggen. In maart kan er dan worden uitgeplant in volle grond. Plant in rijen die 50-60cm uit elkaar liggen en zet de planten onderling 10-15cm uit elkaar.

Tuinbonen stellen geen bijzondere eisen aan de bodem en groeien in elke tuingrond. Voldoende vocht wordt wel op prijs gesteld. De grote zaden worden best voorgeweekt. Ze worden 5-10cm diep geplant.

Om de oogst te bespoedigen en aantasting van zwarte luizen te voorkomen de koppen uitnijpen op 6 à 8 trossen.

Tussen de rijen kunnen koolsoorten worden geplant. (Net zoals andere peulvruchtgewassen hebben de wortels van tuinbonen het vermogen om de stikstof uit de atmosfeer via de stikstofbindende bacteriën, aan de grond af te staan).

Ziektes

Zwarte bonenluis en spint kunnen voor problemen zorgen.

Opletten voor muizen en vogels die de zaden stelen.

Bewaren

Vers geplukte tuinbonen kunnen slechts enkele dagen op een koele plaats bewaard worden. Om de bonen in te vriezen, blancheer je ze enkele minuten in kokend water, gooi ze dan direct in ijskoud water, laat ze uitlekken en doe ze droog in zakjes.

Bij aankoop moeten tuinbonen een frisgroene kleur hebben, zonder beschadigde plekken en niet uitgedroogd.


Look

Knoflook is ongetwijfeld zo oud als de geschiedenis en wordt door volkeren aan de Middellandse Zee al duizenden jaren gebruikt. Daarom worden ze er ook zo oud en krijgen ze minder last van hartziekten en kanker. Look mag een natuurlijk antisepticum heten, ook ideaal voor de luchtwegen. Bovendien maakt hij spijzen pittiger. Tegen de geur bestaan trucjes!

Kortom: knoflook is een schild tegen ziekte en ouderdom, want door zijn hoog gehalte aan bioflavonoïden beschermt knoflook onze cellen tegen vrije radicalen.

Planten en oogsten

Planten: van knoflook kan je de teentjes al planten eind februari. Zet ze 15 cm uit elkaar, vlak onder de oppervlakte, op een fijn verkruimelde grond, liefst op een zonnige, tamelijk vochtige plaats, in lichte, goed omgespitte grond, liefst met compost bijmesten (geen verse bemesting, wel 5 maanden vooraf). Je kan ze ook kweken in een bloembak of op het balkon. Opgelet: het kruid gaat tot 1 m hoogte.

Oogsten: de bloei is in juli. Het oogsten gebeurt einde augustus na het verdrogen van de bladeren. Je kan ze ophangen aan een muur, in de schaduw of in het donker. Er zijn veel verschillende soorten.

Verse look is bacteriëndodend

Van look is de opvallendste eigenschap de geur. Dat komt omdat knoflook bijzonder rijk is aan de ontgiftende vluchtige essence van zwavel (S). Look is ook rijk aan disulfide, cal­cium, kiezel, jodium (antiseptisch middel) en bevat etherische oliën, die lever en gal sti­muleren. Zijn buitengewone werking wordt toegeschreven aan die etherische oliën, belangrijke vitaminen en fermenten. De bacteriëndodende stof in look blijkt geen enke­le bewerking te verdragen. Je eet deze knol dan ook beter rauw dan hem in allerlei pre­paraten te gebruiken. Knoflook is altijd goed, tenzij de look te oud is. De plant is onmis­kenbaar verbonden met vitaliteit en is van onschatbare waarde voor het hele organisme, vooral tijdens de winter.

weet je raad

Om de knoflookgeur van je handen te krijgen, strooi je best een beetje zout in de han­den en was je ze onder koud stromend water. Was ze daarna met wat zeep.

Om de lookgeur van je adem weg te nemen of te verminderen, kan je na de maaltijd 2 à 3 gebrande koffiebonen knabbelen. Wat ook helpt, is kauwen op enkele anijsgraantjes, of een stuk appel of een stuk biet eten.


Mais

Zoet maar geen dikmaker

Suikermaïs is een maïsvariëteit waarbij de korrels meer suikers, dan zetmaal bevatten. Ze wordt nu ook door Belgische telers aangeboden.

Maïs is op zichzelf een zeer belangrijk gewas, even belangrijk als tarwe en rijst, maar het merendeel van de maïsteelt in de VS is toch bestemd voor het vee en niet voor de men­selijke consumptie. In Afrika en in grote delen van Midden- en Zuid-Amerika is maïs echter het basisvoedsel voor de bevolking. Men verwerkt het tot pap of tortilla. Pofmaïs of popcorn is een andere variëteit met zetmeel korrels die bij verhitting exploderen.


Planten en oogsten

Zaaien: voor de teelt in Noord-Europa wordt in april in de kas voorgezaaid in potjes, één zaad per potje. Nadat het gevaar van nachtvorst is geweken, worden de planten eind mei afgehard en uitgepoot. Ze groeien het snelst als ze in de bak worden gezet, omdat ze daar nog extra van de warmte profiteren. Er kan omstreeks half mei ook direct in de volle grond worden gezaaid, maar dan is het gunstig om de zaden te beschermen met een stolp of met een geperforeerde folie die pas verwijderd wordt als het blad verschijnt. Ideaal is een licht zure en goed doorlatende grond, die vruchtbaar moet zijn en kort voor het planten nog eens bemest wordt met een evenwichtige meststof.


De planten moeten op een rechthoekig bed bijeen worden geplant, niet in enkele rijen, om de (wind)bestuiving te verbeteren.


De plantafstand is 35 cm naar beide zijden. Ze kunnen bij een hoogte van 30 cm het best worden aangeaard, enerzijds als bescherming tegen de wind, anderzijds om de vor­ming van extra wortels te stimuleren, zodat de plant nog beter profiteert van de voeding. Tijdens de bloei is water geven lonend, want dan ontstaan er zwaardere kloven.



Nieuw-Zeelandse spinazie

Nieuw-Zeelandse spinazie (Tetragonia expansa) is een plant uit de ijskruidfamilie. Het is een verassend eenvoudige en productieve teelt. Deze plant levert vanaf de zomer massa's verse spinazie. Voor doorschieten hoeven we niet bang te zijn: de bloei is onopvallend en de kwaliteit van het blad lijdt er niet onder.

Zaaien

De 'zaden' van nieuw-zeelandse spinazie zijn vrij groot: 0,5-1 cm in diameter. In feite zijn het ook geen zaden, maar vruchtjes met daarin zo'n 3-5 zaden. Uit een 'zaad' komen dus meerdere plantjes. De kieming kan lang duren (2-3 weken). Het is daarom raadzaam het zaad eerst een dag in water te laten voorweken. In mei kan er rechtstreeks in de volle grond gezaaid worden, maar we kunnen ook in april binnen op de vensterbank voorzaaien in potten. Zaai het zaad ongeveer 2 cm diep.

Met het plantverband kan naar believen gespeeld worden. De planten kunnen uitlopers van een meter maken en net zoveel ruimte in beslag nemen als een kleine pompoen. Bij zo'n groot plantverband duurt het wel wat langer voor we kunnen oogsten. Er valt dus wat te zeggen voor een kleiner plantverband, bv 20-40 cm in de rij en 1 meter tussen de rijen. Dat kost wat meer zaad, maar levert eerder opbrengst.

De jeugdgroei van de plant kan wat langzaam zijn, maar dat wordt later weer goedgemaakt.

Bemesting

Een bemesting met compost is ideaal.

Ziekten en plagen

Er zijn weinig ziekten en plagen bekend. Bij natte omstandigheden en een dichte stand van het gewas kan er wat schade door schimmels ontstaan. Dun dan eventueel wat uit om een betere luchtcirculatie in het gewas te krijgen.

Slakken raken de plant niet aan.

Gewasverzorging

De plant vraagt geen bijzondere verzorging. De stengels liggen plat op de grond waardoor onkruid wel wat meer kans krijgt. Af en toe wieden is dus wel noodzakelijk.

De plant gaat zich vanzelf steeds meer vertakken omdat we bij het oogsten de stengeltoppen wegnemen.

Oogsten en bewaren

Oogsten doen we naar behoefte door de stengeltoppen af te knijpen. Neem geen lange stukken stengel mee, achter de top bevatten die harde vezels. Nieuw-zeelandse spinazie smaakt net als gewone spinazie, en wordt ook zo bereid. De planten kunnen als spinazie worden geblancheerd en ingevroren.

In het najaar kunnen we zelf zaden oogsten voor het volgende jaar. De zaden vallen soms spontaan uit.

Paprika

Een goed plekje is bijvoorbeeld een zonnige zuid-muur van een woonhuis. De paprika teelt gaat echter stukken beter als we gebruik maken van een kas of een plastic tunnel.

Zaaien

Voor de buitenteelt is belangrijk om op tijd te beginnen: zaai in maart binnen in potten, en verspeen de plantjes in afzonderlijk potten als ze ongeveer 10-15 cm groot zijn. Laat ze dan nog een tijdje doorgroeien tot het stengeltje een beetje verhout is. Hard ze af en plant ze pas eind mei of begin juni tijdens warm weer op hun definitieve plek. Plant voorzichtig over om de wortels zo min mogelijk te beschadigen.

Paprika's kunnen nogal eens moeilijk 'starten' na het overplanten. Het lijkt dan of ze een aantal weken stilstaan. Dit is vooral het geval als het buiten nog aan de frisse kant is.

Bemesting

Meng enkele handen compost of potgrond door het plantgat. Voor de buitenteelt is het van belang dat de plant niets tekort komt.

Ziekten en plagen

Jonge plantjes kunnen ten prooi vallen aan slakken, en ook bladluizen en rupsen kunnen paprika aantasten.

Bij nat en koel weer kunnen vruchten aan planten die buiten staan gaan rotten.

Gewasverzorging

Er is een grote soortenrijkdom in paprika's; ze zijn er in allerlei vormen, kleuren en smaken. Er zijn ook dik-en dunwandige soorten. Erg boeiend om mee te experimenteren dus.

Paprika's die we buiten telen hebben vaak geen steun nodig, en hoeven niet gesnoeid te worden. Bij het snoeien kunnen we overwegen om het aantal hoofdtakken te verminderen. We hebben dan meer kans dat de overgebleven vruchten beter uitgroeien. In de kas worden de planten groter en is meestal wel steun en snoei nodig.

De plantafstand hangt af van de teeltwijze en de varieteit. Er kunnen niet meer dan 2-4 planten per m2 gezet worden.

Oogsten en bewaren

In de koelkast kunnen paprika's wel twee weken bewaard worden. Ook aan de plant blijven paprika's lang goed. Veel soorten verkleuren uiteindelijk naar geel of rood in de late herfst. Oogsten als paprika's nog groen zijn geeft een hogere opbrengst, vooral bij paprika's in de volle grond. Het is blijkbaar gemakkelijker voor een plant om een nieuwe groene paprika te produceren, dan een bestaande paprika af te laten rijpen.

Paprika en Spaanse peper

Alhoewel paprika en spaanse peper nauw verwant zijn gaat het toch om twee verschillende soorten. Paprika heet Capsicum annuum, Spaanse peper is Capsicum frutescens. Er bestaan ook 'hete' varianten van paprika, maar spaanse peper is doorgaans veel heter. Het onderscheid is aan de buitenkant moeilijk te zien, de planten lijken veel op elkaar en ook de vruchtvorm zegt niet alles. Een kenmerkend onderscheid is echter dat bloemen van paprika altijd afzonderlijk in een bladoksel zitten, terwijl de bloemen van spaanse peper vaak met meerdere tegelijk uit de zelfde plaats ontspringen.


Pastinaak

Pastinaak (Pastinaca sativa) is een fors gewas met dikke witte wortels en grote bladeren. De teelt is vergelijkbaar met die van winterpeen. Pastinaak wordt soms ook gebruikt in wortelstamppot. De wortels kunnen ook in plakjes worden gesneden en gebakken in een koekepan. De smaak heeft iets anijsachtigs. Pastinaak komt in Nederland ook in het wild voor, bv in wegbermen. De plant behoort tot de schermbloemigen en heeft een bloemenscherm met kleine gele bloemen.

Zaaien

Pastinaak is een moeilijke en lastige kiemer. Het kan best 3-4 weken duren voor de kiemplantjes eens boven de grond komen. Vaak wordt bij pastinaak wat indicator-zaad (bv radijs) meegezaaid om uberhaupt te kunnen zien waar het spul op behoort te komen. Het zaad blijft ook niet lang kiemkrachtig, het is daarom geen slecht idee om zelf zaad te winnen.

Zaai pastinaak in de volle grond op rijen, en houd 30 cm ruimte tussen de rijen aan en 15 cm in de rij. Zaaien is mogelijk vanaf half april tot half mei.

Bemesting

Net als wortel heeft pastinaak geen zware bemesting nodig. Wat plantaardige compost is voldoende, eventueel aangevuld met kalium houdende mest. We kunnen ook wat houtas over de bodem strooien.

Bodem

Net als peen kunnen we pastinaak beter op een lichte grond kweken (zand of zavel). In kleigrond hebben de wortels de neiging zich te vertakken. Bovendien zijn de wortels moeilijk te rooien in kleigrond, ze zitten stevig vast!

Ziekten en plagen

Bodeminsecten kunnen wat schade veroorzaken, en sommige rassen zijn gevoelig voor kanker. Pas zo mogelijk een gewaswisseling toe en gebruik ziekteresistente rassen. Het ras Gladiator (een hybride ras) is resistent tegen kanker.

Gewasverzorging

Pastinaak kiemt langzaam en ook de jeugdgroei is langzaam. De meeste aandacht moeten we dus in de beginfase van de teelt besteden. Probeer de kiemplantjes te herkennen (zie foto) en bescherm ze tegen opkomend onkruid, dat meestal sneller groeit. Als de planten eenmaal goed groeien, is het een gemakkelijk gewas.

Kiemplanten van pastinaak. Het volwassen blad is langwerpig en gedeeld.

Oogsten en bewaren

Vanaf half september kan er geoogst worden, maar de wortels hebben dan nog niet hun maximale omvang bereikt. Er kan geoogst worden tot diep in de winter, zelfs als de grond bevroren is. Pastinaken kunnen ook als winterpeen worden geoogst en bewaard in kistjes met zand.

Pepers

Er zijn veel soorten die verschillen in kleur, vorm, smaak en gehalte aan capsicine,het 'hete' ingedient. De plant verlangt net als de paprika veel warmte en kan daarom maar het beste in een grote pot worden geteeld.

Zaaien

Zaai de pepers vanaf half maart binnen voor op een warme vensterbank. Verspeen ze in afzonderlijke potten als ze ongeveer 10 cm lang zijn. Vanaf begin juni kunnen de planten naar buiten toe.

De zaden blijven 2 tot 3 jaar kiemkrachtig. Bij 20 °C kiemen ze in 6 tot 10 dagen.

Bemesting

Spaanse pepers moeten goed bemest worden om te voorkomen dat ze een groeiachterstand oplopen. Ze hebben het al moeilijk genoeg in ons Nederlandse klimaat. Houden we ze het hele jaar in een pot, gebruik dan verse potgrond. Voor de teelt in de volle grond kunnen we bemesten met compost. Als alternatief kunnen we ook een flinke hoeveelheid potgrond door het plantgat mengen.

Verzorging

Plant de planten in potten van 25-30 cm diameter en houd ze gedurende het warme seizoen buiten in de tuin op een zonnige plek. Zorg er voor dat de potkluit niet uitdroogd. Als alternatief kunnen we de planten begin juni buiten in de volle grond plaatsen op een warm plekje (bij een zuid muur). Begin oktober kunnen we dan nog de hele plant voorzichtig losmaken en met kluit en al in een grote pot plaatsen. Als het dan echt te koud wordt in oktober, halen we de pot naar binnen en laten de vruchten daar afrijpen. De spaanse peper kan 2-3 jaren oud worden, maar het is niet eenvoudig om de plant levend de winter door te krijgen.

Spaanse pepers zijn te onderscheiden van paprika's door te kijken naar het aantal vruchten dat bij elkaar zit (vanuit hetzelfde punt ontspringt). Bij pepers kunnen er meerdere bij elkaar zitten, bij paprika altijd maar een. Op vorm zijn ze niet te onderscheiden: er zijn paprika's die precies de langwerpige vorm van een spaanse peper hebben. Ze zijn echter lang niet zo scherp van smaak.

Pluksla

Pluksla vormt geen krop. Het wordt meestal in een rijtje gezaait en het blad wordt afgesneden als het groot genoeg is. De smaak is vergelijkbaar met gewone kropsla. Het blad van pluksla is echter zachter en minder 'knapperig'. De smaak is mild bitter en combineert goed met een vinaigrette dressing.

Pluksla kan het hele seizoen geteeld worden en is al snel oogstbaar. Afhankelijk van het seizoen kan op 4 tot 6 weken na zaai al gesneden worden. Bij een vroege oogst kan er van het zelfde zaaisel nog een tweede keer gesneden worden. Soms wordt niet in een rijtje gezaaid, maar worden afzonderlijke planten geteeld, waarvan dan regelmatig het onderste blad geplukt wordt. Op den duur komt zo'n plant op een 'steel' te staan. De meest gebruikte varieteit is amerikaanse roodrand.

Pompoen

Bij pompoen denk je misschien gelijk aan Halloween. Maar pompoenen kun je ook heel goed in de keuken gebruiken. Ze zijn lekker en voedzaam tegelijk! Het wordt in veel boeken als kruid gezien, maar het is natuurlijk ook gewoon een heerlijke vrucht, die we meestal als groente gebruiken.

De pompoenplant heeft kruipende (stekelige) stengels en hechtranken. Deze eenjarige plant heeft grote tegenoverstaande bladeren. Daarnaast heeft de pompoen oranjegele (grote) bloemen in de bladoksels. Dat zijn de mannelijke bloemen. De vrouwelijke bloemen zijn de gesteelde groene tot oranje vruchten.

Naast de bovengenoemde soorten, bestaan er nog vele andere (gekweekte) pompoensoorten, zoals de spaghettipompoen en de vijgenbladpompoen.

Je kunt de pompoenvruchten op vele manieren in de keuken gebruiken. Het vruchtvlees kun je koken, grillen en bakken. Als je zeker weet wat de afkomst is (uit eigen tuin bijvoorbeeld) en een goede wasbeurt voldoende is, dan kun je de schil ook prima meekoken. De smaak van pompoen is enigszins zoet.

In wat voor gerechten past het goed? Denk aan pompoensoep, puree, pompoentaart, chutney, als (groente)bijgerecht, etc. etc.

De pompoenpitten zijn zeer voedzaam. Je kunt de zaden roosteren als nootjes. In China beschouwt men de geroosterde pompoenzaden zelfs als voedsel waardoor je lang leeft. De zaden helpen darmparasieten verdrijven en geven spijsolie.

Prei

Zaaien

Er is bij prei een onderscheid te maken tussen zomer- en winterprei. Zomerprei is dikker en minder vorstbestendig. Winterprei kan gewoon de hele winter op het land blijven staan.

Voor de teelt van zomerprei kunnen we binnenshuis op de warme vensterbank voorzaaien van half januari tot eind februari. We verspenen de plantjes dan een keer als ze een beetje stevig zijn geworden. In april/mei kunnen deze plantjes de grond in. Gemakkelijker is echter om in april rechtstreeks in de volle grond op een zaaibed te zaaien (winterprei). De rijafstand bedraagt zo'n 10 cm, in de rij dunnen we uit tot op 3 cm. In het ideale geval zijn ze in juni zo dik als een potlood en klaar om over te planten. We kunnen ook in tuincentra jonge preiplantjes kopen, zoek dan de mooiste (dikste) plantjes uit.

Poten

Voor het overplanten maken we geultjes die tot 30 cm diep mogen zijn. Snoei de toppen van de wortels en de bladeren van de preiplantjes. De wortels moeten ook gesnoeid worden om nieuwe groei te stimuleren en omdat de lange worteltjes toch niet recht in de grond te krijgen zijn. Bij het planten bedekken we juist de wortels met aarde, maar we maken het geultje nog niet dicht. In de loop van het groeiseizoen vullen we steeds wat aarde bij tot het geultje dicht is, en we kunnen daarna ook nog de preien aanaarden om een nog langere witte stengel te krijgen. Aard niet verder aan dan het punt waarop het eerste blad uit elkaar wijkt. De afstand tussen de rijen is ongeveer 40 cm, in de rijen houden we 15 cm aan.

Bemesting

Prei houd van een vruchtbare vochtige bodem, en kan ook goed grote hoeveelheden stalmest verdragen. Vaak zal het nodig zijn om ook tijdens het groeiseizoen nog een keer te bemesten. Gebruik koemestkorrel of rijke compost als we geen stalmest hebben.

Ziekten en plagen

De prei mineervlieg is een relatief nieuwe plaag, eigenlijk pas van de laatste 5 jaar. Je herkent hem voornamelijk aan de vele bruine poppen die in het najaar ineens in de preischachten blijken te zitten. Vaak zijn er paars/roze gekleurde vreetgangen te zien. Het gaat hier om een vliegje waarvan de larven zich in de prei vreten. De larven verpoppen in levend plantmateriaal, ruim dat dus altijd goed op in het najaar. Een insectennet is het meest effectief tegen deze plaag.meer lezen.

De preivlieg lijkt wel wat op de preimineervlieg, maar de larven verpoppen in de grond, je vind ze dus niet gauw in de prei terug. De larven kunnen zich ook in de grond verplaatsen, en houden daarom van lichte, zandige grond - in vette klei komen ze niet ver. Pas gewaswisseling toe last je last hebt van de preivlieg. Actief bestrijden kan met bespuitingen met brandnetelgier. meer lezen.

De preimot is een nachtvlindertje, dat ook eitjes afzet op de prei en waarvan de larven zich in de prei vreten. De larven vreten aan het binnenste blad, terwijl ze de bladhuid ongemoeid laten. Je ziet dan 'vensters' in het blad, waarin de larven zich bewegen. Later worden dat witte strepen, die kunnen gaan scheuren en het blad een rafelig uiterlijk geven. Ter bestrijding is insectengaas effectief, verder het verwijderen van het bovenste blad zodra de eerste schade zichtbaar is. De eitjes worden voornamelijk op het bovenste blad afgezet. meer lezen.

De schimmelziekte roest in herkenbaar aan de kleine oranje/bruine vlekjes of strepen op het blad. Ze kan optreden in een nat najaar. Pas bij prei een ruime gewaswisseling (6 jaar) toe ter voorkoming van ziektes.meer lezen

Gewasverzorging

Aard regelmatig aan. Houd de planten goed aan de groei door ruim te bemesten en water te geven.

Oogsten en bewaren

Prei kan naar believen geoogst worden. In de winter is het handig om wat prei in een kistje met zand te bewaren, omdat bij een lange vorstperiode het lastig is om de prei heelhuids uit de grond te krijgen.


Raap

Koolraap (ook wel knolraap genoemd) lijkt op meiknol maar is toch net wat anders: de knollen worden groter en kunnen beter tegen de vorst (maar niet tegen strenge vorst). De knollen zijn eigenlijk verdikte wortels, die half boven de grond groeien. Er zijn rassen met een paarse en gele schil, maar het vruchtvlees is altijd geel-achtig. Het is een oude wintergroente, die vaak als nateelt wordt gebruikt. Het zijn weinig veeleisende planten wat bodem en bemesting betreft, maar houden niet van droogte en hebben te lijden van alle ziekten en beestjes die kool aantasten. Vooral vanwege die laatste reden is het toch niet zo'n makkelijke plant voor een beginnende moestuinierder. Een koolnet is het beste antwoord op de beestjes, maar het moet wel een groot net zijn want de planten groeien fors uit.

Zaaien

Juni is de meest geschikte maand om koolraap te zaaien: eerder zaaien kan knollen opleveren die snel verhouten. Er kan direct in de volle grond gezaaid worden, of eerst in potjes en later overplanten. Dat laatste kan net wat meer tijd geven om het voorgewas af te laten rijpen en de bodem weer om te spitten. Het plantverband is ongeveer 40x40 cm - een koolraap wordt een forse plant. Het is handig om per plantplek enkele zaden te zaaien, en later uit te dunnen tot 1 plantje per plek. De kiemduur is ongeveer een week.

Plaats in vruchtwisseling

Koolraap kan uitstekend na vroege peulvruchten als erwt, peultjes, tuinboon en kapucijners. Verder andijvie, sla,spinazie en ui. Liever niet na andere wortel- of knolgewassen en andere koolsoorten.

Bemesting

Koolraap hoeft niet bemest te worden als het voorgewas rijkelijk werd bemest met bv stalmest. Als dat niet het geval is, is bemesting wel zinvol. Alle organische bemesting is goed: stalmest, compost, koemestkorrels etc. Te veel stikstof kan een te uitbundige bladgroei tot gevolg hebben en te kleine knollen. In de praktijk zal dat niet snel voorkomen in een moestuin die organisch wordt bemest.

Ziekten en plagen

Koolraap krijgt de volle lading over zich heen omdat we midden in het teeltseizoen beginnen met zaaien en planten: koolgalmug, koolvlieg, rupsen, luizen, slakken. Pas vanaf eind september neemt de activiteit van de belagers af en kan ook een eventueel koolnet verwijderd worden. Zo'n koolnet is daarom eigenlijk een noodzaak in de kleine moestuin. Alleen op plekken waar uit ervaring gebleken is dat de plaagdruk laag is, kan de teelt zonder net worden gedaan.

Gewasverzorging

Zorg ervoor dat de planten niet uitdrogen in de zomer. Een forse koolplant kan aardig wat water verdampen. Houd de grond los en onkruidvrij.

Oogsten en bewaren

De knollen worden meestal in november geoogst. In eem koele ruimte zijn ze nog wekenlang houdbaar, als ze tenminste niet uit kunnen drogen. Koolraap kan ook buiten ingekuild worden, en is dan eigenlijk de hele winter te bewaren. Voor inkuilen laat je de wortels zoveel mogelijk intact, maar snijd je het loof af. De (ondiepe) kuil wordt afgedekt met stro, daarop komen de knollen, dan weer een laag stro. Daaroverheen plastic folie, dan een laagje aarde van 10 cm. De knollen moegen niet in het water komen te staan, de bodem van de kuil moet dus altijd boven het hoogste grondwater niveau blijven. Verder mogen de knollen niet bevriezen, dus moet de isolatielaag (stro) dik genoeg zijn. Een populaire bereidingswijze zijn koolraap frites: link

Geschiktheid voor de vierkantemetertuin

Niet zo geschikt, de plant is te groot voor zo'n klein tuintje.

Radijs

Radijs (Raphanus sativus var. radicula) is een gemakkelijk en dankbare groente. Het gewas is bovendien razend snel en daarom leuk voor kinderen die interesse in tuinieren hebben. De smaak zal ze meestal tegenvallen maar met een beetje geluk is er wel een opa/oma of buurman/vrouw in de buurt die ze waardeert. Radijs is ook ideaal voor de vierkanteMeterTuin.

Zaaien

Radijs kan vroeg in het jaar onder glas gezaaid worden (januari-maart) of in maart/april bij mooi weer in de volle grond. In juli en augustus kan nog een herfstteelt worden gezaaid.

Er zijn verschillende rassen voor glasteelt, vroege vollegrondsteelt en herfstteelt. Rassen verschillen ook in vorm, kleur, en smaak (pikantheid).

Zaai radijs op rijtjes met tussenafstand tussen de rijen van zo'n 15 cm. Als er niet te dicht wordt gezaaid, is het niet nodig om uit te dunnen. Oogst gewoon regelmatig de radijsjes die al een aardige maat hebben.

Radijs is ook ideaal om een leeg plekje tussen de gewassen in de moestuin te benutten. Daarnaast wordt radijs soms meegezaaid met gewassen die langzaam kiemen (peen, pastinaak). Radijs kiemt snel en laat zien waar we het andere zaaisel mogen verwachten. Tegen de tijd dat peen of pastinaak er goed en wel op staan, is de radijs al oogstrijp.

Bemesting

Radijs stelt niet al te veel eisen aan de bodem. Bemesten met een beetje compost is al goed. Te hoge stikstofgehaltes van de bodem leid tot veel loof en weinig knollen.

Ziekten en plagen

Slakken houden veel van radijs en maken gaten in de knollen. Aardvlooien maken kleine ronde gaatjes in het blad maar leveren geen grote schade op.

Gewasverzorging

Gebruik bij een vroege zaai in maart vliesdoek om wat warmte bij de grond te houden en de kieming te versnellen.

Zorg ervoor dat radijzen niet uitdrogen. Droge grond en warm weer kan voze radijzen opleveren. Het blad onttrekt dan te veel vocht aan de knol. Knollen kunnen splijten als ze na uitdrogen weer natgemaakt worden.

Oogsten en bewaren

Laat de knollen niet te groot worden, ze worden dan voos van binnen en de smaak gaat achteruit. Voze radijzen blijven drijven in water.

Naast de knollen kan van radijs ook het blad worden gegeten.

Radijs is niet lang houdbaar, hooguit een paar dagen in de koelkast.

Radijs wordt meestal rauw gegeten op brood of in een salade, maar kan ook gekookt worden.

Rammenas

Rammenas, Rettich en Daikin (Raphanus sativus) zijn alle naaste familie van de radijs. Ze smaken hetzelfde, en worden ook op dezelfde manier gebruikt.

Verschillen

Rettich heeft een witte schil en is erg populair in Duitsland. Het gewas groeit erg snel en is na 2 maanden al oogstbaar. Rettich wordt in het voorjaar en de zomer verbouwd. Rammenas is in Nederland meer bekend. Rammenas heeft een zwarte schil, groeit in het najaar, en kan beter bewaard worden.

Daikin is de naam van een verzameling Japanse hybriden tussen radijs en rammenas. Ze hebben een witte schil en worden ook in het najaar geteeld.

Zaaien

Alle rassen worden ter plekke op rijen gezaaid en daarna uitgedund. De afstand tussen de rijen is ongeveer 20 cm. De afstand in de rij 3-5 cm. Rettich wordt gezaaid in de maanden april, mei en juni, Rammenas en Daikin van half juni tot half augustus.

Bodem en bemesting

Alle rassen houden van een lichte, goed doorwortelbare grond met weinig steentjes of takjes. We willen tenslotte mooie rechte wortels kunnen oogsten. Op wat zwaardere gronden doen de rassen met ronde knollen het beter.

Rammenas hoeft niet zwaar bemest te worden. Een lichte compostgift volstaat. Verse mest is niet aan te raden omdat die de koolvlieg kan aantrekken.

Ziekten en plagen

Ramenassen kunnen last hebben van voosheid, het binnenste van de wortel is dan zacht en sponsachtig. Dit is eigenlijk geen ziekte maar komt door de groeiomstandigheden: het treed op als de planten erg hard groeien, en dan vochte en voeding onttrekken aan de reeds verdikte wortel. Rammenas en Daikin hebben er minder last van, omdat die voornamelijk in het najaar geteeld worden. Het is dan koeler en de planten groeien wat gelijkmatiger.

De larven van de koolvlieg kunnen gaten boren in de penwortel.

Oogsten en bewaren

Rettich kan niet erg lang bewaard worden, rammenas wel. De wortels kunnen in het najaar in een kist met zand op een koele, droge plek opgeslagen worden en blijven dan tot in het voorjaar goed. Daikon en rettich kunnen gemakkelijk in bloei schieten, rammenas heeft daar minder last van. Als de bloei zich aankondigt, moeten de wortels geoogst worden.

Rode biet

Zaaien

Bieten of kroten kunnen vanaf april tot eind juni gezaaid worden (2 cm diep) op rijtjes met een tussenafstand van zo'n 30 cm. Zaai dun want we willen maar een plantje per 10-15 cm overhouden. Het 'zaad' is in feite een grillig gevormd vruchtje waar ongeveer drie echte zaadjes in zitten. Dat maakt het uitdunnen een lastig karweitje; we lopen het risico dat we met het uittrekken van een plantje de broer en zus uit dezelfde vrucht meenemen. Druk de aarde altijd goed aan na het zaaien: het zaadje zit immers in een vruchtje verpakt, waardoor het wat moeilijker is om een goed contact met de bodem te bewerkstelligen. Bietenzaad kan ook voorgeweekt worden om de kieming te verbeteren.

Dun pas uit als de plantjes wat stevig zijn geworden en twee echte blaadjes hebben - laat de sterkste plantjes staan. Om de oogst wat meer te spreiden kunnen we ook meerdere malen in het voorjaar zaaien, of vroege en late rassen gebruiken. Bieten kunnen verschillende vormen hebben: afgeplat, rond, of cylindrisch (langwerpig). Egyptische platronde is een veelgebruikt vroeg ras. Langwerpige bieten zijn wat gemakkelijker te koken, en zijn in mooie gelijkvormige plakjes te snijden. Dikke ronde bieten kunnen er lang over doen voor ze gaar zijn.

Bemesting

Bieten groeien het liefst op een lichte grond, maar een wat zwaardere grond kan ook als die een goede structuur heeft. De planten hebben lange penwortels die diep de grond in willen. Verse mest is nadelig voor bieten, gebruik liever goed verteerde compost. Bieten hebben geen hoge stikstofbehoefte, maar kunnen wel wat extra Kalium gebruiken.

Ziekten en plagen

Zaailingen kunnen ten prooi vallen aan de kiemplantenziekte en verwelken. Verder zorgt schurft voor wratachtige knobbels op de bieten. Pas een vruchtwisseling toe om de schade te beperken, over het algemeen heeft biet weinig last van ziekten en plagen.

Een tekort aan Kalium lijkt op een echte ziekte: het blad blijft klein en donkergroen, kan gegegolfd of gebobbeld zijn, en droogt uit langs de randen.

Rhizomanie is een virusziekte uit de professionele teelt die wordt overgebracht door de bodemschimmel Polymyxa betae. De symptomen zijn bleekgele verkleuring van het blad en zware baardvorming met dichte rijen viltige haarwortels van de wortel. Deze ziekte kan tot opbrengstverlies en smaakverlies leiden. Vruchtwisseling is het antwoord van de moestuinteler op deze ziekte.

Gewasverzorging

Houd de bodem tussen de bieten los en onkruidvrij. Veel werk gaat zitten in het uitdunnen.

Oogsten en bewaren

Oogst bieten naar behoefte als ze groot genoeg zijn. Haal het loof er met een draaiende beweging af, dan 'bloed' de knol minder en blijft hij sappiger. Haal alle bieten in november uit de grond en bewaar ze nog een tijdje in kistjes met zand op een koele maar vorstvrije plaats. Het zand is nodig om uitdrogen te voorkomen.

De smaak van de rode biet

De smaak van eigengeteelde bietjes kan nogal eens verschillen. Soms is er een gronderige of stoffige smaak. Niet alleen de raskeuze is van invloed, maar ook teelwijze en teeltseizoen. Hoe alles precies samenhangt, is echter niet duidelijk. Uit een onderzoek van de Wageningse universiteit naar de smaak van biologische geteelde bieten bleek onder andere dat het ras Pablo wat beter smaakte, en dat grote bieten minder kunnen smaken dan kleine (jonge) bieten. Smaakvolle rode bieten of kroten

Van belang voor de moestuin is altijd vruchtwisseling: verbouw bieten niet na een ander wortelgewas. Zorg verder voor goede teeltomstandigheden (niet laten uitdrogen, voldoende bemesten).


Rode kool

Zaaien

Rode kool kan voor de winter in een koude bak gezaaid worden (op een rijtje in de grond van de bak zelf). De plantjes overleven de winter in de afgeschermde bak en worden dan vroeg in het voorjaar (maart) opgenomen en in de volle grond geplaatst. Let bij het opnemen op dat het kluitje intact blijft - de aarde moet zoveel mogelijk aan de wortels blijven zitten. Deze teelt levert oogstbare kolen in juli-augustus. Er kan ook vroeg in het voorjaar in een koude bak gezaaid worden (eind februari-maart), voor een oogst in het vroege najaar. Plant de opgekweekte plantjes uiterlijk in mei uit. De plantafstand moet ruim zijn, bv 70 x 70 cm. Het hangt een beetje af van de groote van de gebruikte soort.


Bemesting

Rode Kolen zijn grote planten die aardig wat voeding kunnen verstouwen. Dat betekend dat de stikstofvoorziening op peil moet zijn. Stalmest is prima om mee te bemesten, anders een mengsel van compost en koemestkorrels. Kolen doen het beter in gronden met wat klei erin, die zijn minder droogtegevoelig.


Ziekten en plagen

Rode kool is bevattelijk voor alle koolziekten, maar vaak in wat mindere mate. De rupsen van het koolwitje en de kooluil bijvoorbeeld geven de voorkeur aan groene koolplanten als ze de keuze hebben. Rode kolen zijn ook erg vast en bezwijken minder snel aan knagende insecten. Als we eenmaal zover zijn dat een rode kool begint te sluiten, dan is de kans vrij groot dat we ook een goede kool zullen kunnen oogsten, eventueel na het verwijderen van het buitenste blad. Insectengaas levert altijd mooie schone kolen op, maar het moet bij rode kool wel lang blijven zitten omdat de groeiduur ook aan de lange kant is. Het kan echter ook zonder gaas, maar dan moeten we af en toe optreden om wat slakken en rupsen te verwijderen.

Gewasverzorging

Laat de planten onkruidvrij opgroeien, geef voldoende water in droge zomers.

Oogsten en bewaren

Haal de kolen van het land voor het flink gaat vriezen. Bewaar ze vorstvrij, droog en donker. Sommige kolen kunnen barsten bij sterke vochtwisselingen in de bodem. Het kan dan nuttig zijn om de stronken wat los te trekken, zodat de stroom vocht vanuit de wortels verminderd wordt.


Romanesco

Romanesco (Brassica oleracea convar. botrytis var. botrytis) of groene torentjesbloemkool lijkt veel op bloemkool en heeft een geelgroene kleur. Romanesco dankt zijn naam aan de eerste beschrijving in het Italië van de zestiende eeuw als broccolo romanesco oftewel broccoli van Rome. Door de vorming van torentjes is het een veel decoratievere groente dan bloemkool en een mooi voorbeeld van een fractal in de natuur. In Nederland is romanesco voor het eerst in 1979 geïntroduceerd en vindt vanaf 1986 de teelt op grotere schaal plaats.

Vereisten

Planten in volle grond op een plantbed. Uitplanten op ong. 60cm afstand op voedzame, goed bemeste en vochthoudende grond. Bij droogte vooral in de groeiperiode flink gieten

Onderhoud

Het blad moet voldoende opgericht zijn om de kool in de schaduw te houden anders kleurt deze rood. Ook kunnen er wat bladeren omgeknikt en bovenop de kool gelegd worden, maar dat is eigenlijk niet noodzakelijk.

Gebruik

Een tussenvorm van bloemkool en broccoli, met een voortreffelijke fijne smaak. Uitmuntend voor garnering van schotels.



Romeinse sla

Bindsla of Romeinse sla is een makkelijk te telen groente. Deze sla vormt een losse krop van rechtopstaande bladeren. Vroeger bond men rond deze sla een touw om de bladeren samen te binden, vandaar de naam bindsla. De nieuwste soorten hebben dit niet meer nodig. Verwar deze sla niet met groenlof. Bindsla kan zowel rauw als gestoofd worden gebruikt.

Romeinse sla wordt gebruikt als basis voor de Amerikaanse 'Caesar Salad'.

Teelt

Voor de lenteteelt kan je vanaf half februari voorzaaien onder koud glas. Zaai in potjes en plant daarna uit. Uitplanten in de koude bak of onder folie. Voor de zomerteelt kan je vanaf einde maart in volle grond uitzaaien. Uitplanten in rijen die 30cm uit elkaar liggen en de plantjes ook zo'n 25 à 30cm uit elkaar zetten.

Ziektes

Net zoals bij kropsla kan 'rand' optreden. Bij dit verschijnsel dat ontstaat door sterk wisselende weersomstandigheden, verdroogt de bladrand.


Roodlof - Raddicchio


Als gewas nog niet zo bekend bij ons maar vooral in Italië geliefd. Het stamt net als witloof af van de wilde cichorei. De roodgekleurde blaadjes worden in de keuken meer en meer toegepast, ook omwille van het decoratieve element.

Roodlof wordt vooral rauw geconsumeerd, in salades bijvoorbeeld met een vinaigrette. Het kan echter ook gestoofd of gegrild worden of gebakken in de pan. De blaadjes kunnen ook gebruikt worden om er aperitiefhapjes in te serveren.

Teelt

Radicchio is een nateelt. Ga niet te vroeg van start want de planten zijn schietgevoelig voor te koude temperaturen

Voor de teelt onderscheiden we 2 soorten:

  1. Roodlof van Chioggia vanaf half juni ter plaatse zaaien. In rijen die 30cm uit elkaar liggen. De planten uitdunnen op ongeveer 30cm uit elkaar. Oogsten kan vanaf september door de plant boven de grond af te snijden.

  2. Roodlof van Verona vanaf half juni ter plaatse zaaien. In rijen die 30cm uit elkaar liggen. De planten uitdunnen op ongeveer 20cm uit elkaar. Deze plant geeft geen oogstbaar product meer voor de winter maar kan blijven overwinteren in de tuin waarbij het loof kapot vriest en na de winter opnieuw uitloopt en kleine rode kropjes vormt. Dek de wortels wel wat af met stro. Ofwel kunnen de wortels ingetafeld worden zoals bij witloof. Deze winterradicchio is minder bitter van smaak omdat de bitterstoffen door de vorst worden afgebroken.

Roodlof groeit op elke voedzame tuingrond. Voor de wortels is het noodzakelijk dat de grond goed losgemaakt is. Hou het perceel onkruidvrij.

Bewaren

Enkele weken in de koelkast.



Rucola

Rucola (Eruca sativa) is een klein plantje met een uitgesproken smaak - pittig en nootachtig. Heel geschikt om de smaak van een gemengde salade op te halen. Het plantje behoort tot de Kruisbloemenfamilie. Deze gewone rucola is eenjarig, er is ook wilde rucola, die de winter overleeft en ook nog een tweede jaar mee gaat. Wilde rucola zaait zichzelf gemakkelijk uit.

Zaaien

Rucola kan van maart tot september gezaaid worden. Zaai gewoon op een rijtje en dun niet uit. Vermeng eventueel het zaad met wat zand om te voorkomen dat we te dicht zaaien.

Bemesting

Rucola stelt op zich weinig eisen aan de bodem. Toch verdient het aanbeveling om het gewas te bemesten met organische mest (compost, koemestkorrels, stalmest). Hierdoor neemt de opbrengst toe en wordt de bloei wat uitgesteld.

Ziekten en plagen

Rucola heeft weinig last van ziekten of plagen. Er kan wat schade zijn van rupsen, bladluizen, en slakken.

Gewasverzorging

Rucola houdt niet van hitte. De groei is het beste in het voor- en najaar. Zoek in de zomer daarom liefst een beschaduwd, koel plekje. Het gewas schiet snel door, we moeten daarom vaker zaaien om steeds verse rucola te kunnen oogsten. Het ras 'Astro' is beter bestand tegen schieten.

Van rucola kunnen we zelf zaad overhouden.

Oogsten en bewaren

Oogst de bladeren het liefst in de ochtend. Als in het najaar (september) gezaaid wordt, kan er tot in december geoogst worden.


Schorseneer

Schorseneren hebben lange smalle bladeren. Ze zijn lang, dun en donkerbruin en bevat veel plakkerig, roomachtig melksap. De naam zou een samentrekking zijn van het Italiaanse scorzo (schil) en nera (zwart). Een vroegere benaming is keukenmeidenverdriet omdat je handen bruin en kleverig worden bij het schillen. Je kan ze ook eerst koken en dan pas schillen. Liefhebbers omschrijven de smaak van schorseneren door ze te vergelijken met asperges en oesters. Net als pastinaak staan ze lang op het land. Ze zijn winterhard en kunnen de hele winter in de grond blijven als het tenminste niet te nat is.

Hoe oogsten

schorseneer is de meest moeilijke groente om te oogsten die we op de tuin hebben. Schorseneren zitten diep in de grond en zijn daarom lastig te oogsten zonder ze af te breken. Alle stukjes schorseneer die in de grond blijven zitten lopen het volgende jaar weer uit.

Hoe bereiden

Snijdt het loof van de wortel. Dan kan je de schorseneer langer bewaren. Schillen met een dunschiller of aardappelschilmesje. Schorseneren verkleuren snel als ze geschild zijn. Leg ze daarom in een bak koud water. Snijd de schorseneren in stukken van een centimeter of drie en blancheer of stoom ze ongeveer in 8 minuten gaar. Je kan ze ook smoren of roerbakken.





Sjalot

Ajuin, sjalot en knoflook zijn echte smaakmakers in de keuken. Je kan ze ook makkelijk zelf kweken en bewaren om nadien in jouw gerechten te verwerken.

Uien, sjalotten en knoflook plant je gebruikelijk in het voorjaar. Het pootgoed is vanaf februari te vinden in de meeste tuincentra. Plantuien groeien snel, zijn bestand tegen lage temperaturen en zijn minder ziektegevoelig dan de zaaivariant.

STANDPLAATS EN BODEM

Zoek een zonnige en tochtige plek op voor de uien. Zaaiuien vragen een zwaardere, en goed doorlaatbare grond. Uien houden namelijk niet van een natte grond maar ze mogen door hun oppervlakkige beworteling ook geen vocht te kort komen.

Plant de uien in rijen die op 30 cm van elkaar liggen, met om de 15 cm een bolletje. Duw de uitjes in de grond tot de bovenkant op gelijk niveau komt met de grond maar het bovenste deel van het uitje nog net zichtbaar is. Bij een lichtere grond stop je de bolletjes beter net onder de grond zodat de vogels ze niet meepikken. Tijdens het groeiseizoen is het aangeraden om regelmatig kruid te wieden en te mulchen. Schoffelen doe je maar beter niet want de uien hebben zeer oppervlakkige wortels.

BEMESTEN

Uien verdragen geen verse mest of halfverteerde compost. Deze trekken ook de wortelvlieg aan dus pas hiermee op! Let op: de grond mag niet te veel stikstof bevatten. Dit leidt namelijk tot meer bladgroei terwijl de bolgroei zal afremmen.

OOGSTEN EN BEWAREN

Je kan de uien oogsten van zodra het loof plat valt, en voor meer dan de helft verdroogd is. Dit is meestal eind juli of begin augustus.Tijdens natte periodes, en bij een stikstofrijke grond duurt het soms wat langer voordat het loof gaat vallen. Je mag het loof dan zelf ombuigen zodat de voedingsstoffen tot in de bol geraken. Na het oogsten moet je de uien op een goed geventileerde plek openspreiden of ophangen zodat ze verder kunnen opdrogen.

SJALOTTEN

Sjalotten plant je meestal vanaf april in rijen met 30 cm ertussen, en om de 15 cm een bolletje. Aan elke plant zullen er vier tot tien sjalotjes groeien. Je kan ze in juli en augustus oogsten wanneer het grootste deel van het loof verdroogd is. Of je oogst ze terwijl ze nog groen zien, en eet ze met het loof en blad op.


Snijbiet


Snijbiet, ook warmoes genoemd, is een wat minder bekende groente, die geleidelijk aan populariteit wint. Het is een tweejarige plant die geteeld wordt voor de bladeren en de bladstelen. Snijbiet is lekker, decoratief, makkelijk te telen en geschikt voor rauwkost (salades) en bereidingen. Er zijn soorten met witte, rode, roze en zelfs oranje stengels.


Zaaien Je kan ter plaatse zaaien vanaf maart/april tot juli. Zaai in rijen die 40cm uit elkaar liggen. Zet de planten zo'n 40-45cm uit elkaar.

Standplaats Zonnig op vruchtbare en goed vochtige grond. Als er niet regelmatig geoogst wordt en ook bij warmer weer, kunnen de planten doorschieten. Het zijn sterke plant die nadat ze zijn afgesneden opnieuw blad zullen aanmaken. Snij de planten zo'n 5cm boven de basis af. In de winter moet je de planten beschermen om schade door koude en vorst te voorkomen.

Oogsten Als je de bladeren in salades wil verwerken moet je ze jong oogsten. Oogst als je de bladeren direct kan verwerken want de bladeren worden snel slap.

Soorten

  • Groene gewone:(Vilmorin) Deze soort wordt meestal in jonge toestand gebruikt, gestoofd zoals spinazie of de jonge blaadjes in salades. Snelgroeiend.

  • Blonde van Parijs: (Vilmorin) Deze soort wordt zowel gebruikt voor de jonge blaadjes maar ook voor de ribben als de plant verder ontwikkeld is.

  • Groene van Parijs: (Vilmorin) Wordt meestal gebruikt voor de dikke, vlezige bladstengels. Dit ras vormt zeer forse bladstelen met dikke, vlezige ribben.

  • Bright Lights: Kleurrijke malse bladeren en ribben. Smakelijke en decoratieve soort.

  • Blanche d'Ampuis: Donkergroen mals, glanzend blad, met lange, brede, zeer witte stelen. Klokvormige groeiwijze. Geschikt voor zowel vroege uitzaai als voor zomer- en herfstteelt. Niet schietgevoelig.

Goed om weten

-Snijbiet is een bietensoort die niet vanwege de wortels wordt geselecteerd maar omwille van de dikke vlezige bladstelen en de bladeren.

-Snijbiet is verre familie van de spinazie en de bladeren bevatten oxalaten.

-Sommige kleurige soorten zijn een erfenis uit de 16de eeuw.

-Snijbiet kent weinig of geen ziektes of aantastingen

-Kan maandenlang in de tuin blijven staan zonder merkbaar kwaliteitsverlies

-Kan enkele graden vorst verdragen

-Heeft een speciale smaak, een beetje zoals rode bietjes.

-Snijbiet wordt omwille van de kleurrijke ribben ook in de siertuin toegepast.



Snijselder

Snijselder groeit in verschillende opgaande scheuten. Het uitzicht en de smaak zijn vergelijkbaar met groene selder.

Snijselder kan het hele jaar door geoogst worden. Snij telkens volgens behoefte enkele takken en bladeren af, de plant blijft gewoon verder groeien.

ALGEMEEN:

Selder behoort tot de familie van de schermbloemigen en is nauw verwant aan enkele andere, veel geteelde, groenten zoals onder andere peterselie, kervel en venkel.

Het is van nature een tweejarige plant die het eerste jaar bladeren vormt en het jaar erna bloeit en afsterft.

Er zijn verschillende types selder te onderscheiden:

  • Bladselder zoals groene selder, snijselder en witte selder. Hiervan wordt vooral het blad en de bladsteel gebruikt.

  • Knolselder. Hiervan wordt de verdikte wortel gebruikt.

PLANTEN:

Selder vraagt om te kiemen en in een jong stadium een warme opkweek, anders gaat hij doorschieten.

De eerste 6 weken na het zaaien moet selder daarom opgekweekt worden bij een temperatuur van ongeveer 20°C. Nadien is deze kritieke fase voorbij.

Wil je dus vroeg op het jaar selder telen moet je zeker zijn van kwaliteitsplanten die op de juiste wijze zijn opgekweekt. Allégrow kan u dit garanderen.

TEELTTIPS:

Selder vraagt een rijke en goed vochthoudende grond. Hij groeit het beste op zware gronden. Om op lichte gronden succesvol selder te telen moet voldoende humus aan de grond worden toegevoegd zodat vocht en voedingsstoffen beter worden vastgehouden.

Geef op voorhand een goede basisbemesting van bij voorkeur organische meststoffen. Let echter op met verse stalmest, dit verhoogt de kans op bladvlekkenziekte. Selder is koudegevoelig, buiten planten gebeurt best pas vanaf begin mei. Vroeger dient selder in de serre geplant te worden. Plantafstand voor snijselder: 15 x 25 cm.

Zorg dat bij het uitplanten de bovenkant van de perspot op gelijke hoogte zit met de grond. Door te diep te planten kan het hart verstikken en de plant afsterven. Bij te ondiep planten staan de planten te los en zullen ze bovendien sneller uitdrogen. Druk bij het planten de grond goed aan rond de plantjes en geef water zodat de plant direct 'aanslaat'. Zorg ook tijdens de groei steeds voor voldoende water. Bij een groeivertraging of bij veel regen tijdens de teelt kan best worden bijgemest.

De teeltduur in de zomer is ongeveer 10 weken. In voor- en najaar is dit 3 maanden.

Plant selder best voor eind juni, anders wordt het te laat om te oogsten.

OOGST:

Let op bij het oogsten, sommige mensen zijn allergisch aan het sap van selder, het kan branderige rode vlekken op de huid veroorzaken.

Snijselder kan je het hele jaar door oogsten (zelfs in de winter). Snij telkens volgens behoefte enkele takken en bladeren af, de plant blijft gewoon verder groeien.

PROBLEMEN EN ZIEKTES:

Selder is vooral gevoelig voor roest of bladvlekkenziekte: bruingele vlekken die verschijnen op de bladeren.

Dit komt vooral voor bij vochtig, warm weer. Verwijder aangetaste bladeren zo snel mogelijk om verdere infectie te voorkomen.

Spinazie

Spinazie is een snelgroeiend gewas dat je met het meeste kans op succes kan telen in voor- en najaar. Bij hogere zomertemperaturen zal de plant snel doorschieten. Het is een bladgroente dat rijk is aan mineralen, maar ook aan nitraat en oxaalzuur (zie "Varia"). Het blad is heel zacht en mals als het wordt gekookt of gestoofd maar ook rauw in salades is het erg lekker.

TEELTTIPS:

Spinazie wil graag een luchtige bodem die wel vochtvasthoudend is maar niet kletsnat wordt. Het liefste een niet te zure grond, dus eventueel wat kalk strooien. Omdat spinazie een sterke, snelle groeier is moet je toch wel de nodige meststoffen geven maar hou zeker de stikstofbemesting aan de lage kant i.v.m. nitraatopslag in de plant (nitraat wordt omgezet in het giftige nitraat. Zie "Varia")Wil je spinazie ook in de zomer telen, zoek dan, om schotvorming tegen te gaan, een koel en schaduwrijk plekje in de tuin uit.

OOGST EN BEWARING:

Snij spinazie, van zodra oogstrijp, op tijd af. Als je te lang wacht wordt het blad geel. Wanneer je ervoor zorgt dat bij het bladknippen het hart van de plant ongeschonden blijft dan kan je nog een tweede keer van de zelfde plant oogsten.

VARIA:

Spinazie bevat in meerdere of mindere mate oxaalzuur en nitraat. Dit zijn beiden giftige stoffen...Het grootste gedeelte van oxaalzuur verdwijnt mee met het kookwater. Teel je spinazie met niet teveel stikstof in de grond, zodat je nitraatcijfer ook laag blijft. Hoe verser je spinazie eet, hoe minder nitriet er aanwezig is in de bladeren (nitraat wordt door bacterieën omgezet in het giftige nitriet). Vroeger werd vaak aangeraden om eenmaal gekookte spinazie niet meer opnieuw op te warmen, omdat in de tussenliggende tijd bij kamertemperatuur meer nitriet gevormd kan worden dan gezond is. Dit advies dateert echter uit de tijd dat koelkasten en vriezers nog geen gemeengoed waren. Met de huidige koeltechnieken kan spinazie ook thuis snel genoeg gekoeld worden, zodat zich geen grote nitrietconcentraties vormen.Met name bij zwakkere mensen, zoals kleine kinderen, zwangere vrouwen en ouden van dagen, blijft het echter raadzaam om op te passen met spinazie die niet vers is.


Spitskool

Spitskool is eigenlijk een klein type witte kool met een spitse vorm. Ze is sappiger, lichter verteerbaar en volgens sommigen bovendien lekkerder dan de gewone witte kool.

PLANTEN:

Spitskool wordt voornamelijk aangeplant als zomerteelt. Voor herfstteelt of bewaarkool wordt meestal witte kool aangeplant. Voor elke teeltwijze en plantperiode zijn er specifieke rassen.Bij Allégrow bent u zeker dat u het juiste ras op het juiste moment plant.

TEELTTIPS:

Omdat spitskool is in tegenstelling tot de gewone witte kool minder weegt en niet zo groot wordt is deze uitermate geschikt voor de vroege- en zomerteelt. De teeltduur van spitskolen is aanzienlijk korter dan andere kolen en ze stellen minder eisen aan de grond dan andere koolsoorten, dit betekent dus ook dat lichtere gronden geschikt zijn. Een lichtere bemesting volstaat. Spitskool is echter niet geschikt om te bewaren.

-Zorg voor aanvang van uw teelt voor een goede basisbemesting en voldoende kalk.

-Plant uw koolplanten in volle zon en geef ze de ruimte: plantafstand 50 x 40 cm.

-Druk bij het planten de grond rondom de koolplantjes goed aan en geef direct overvloedig water.

-Zorg dat je de kool tijdig oogst, voor ze gaat openbarsten.

CULINAIR:

Spitskool is in tegenstelling tot de meeste andere koolsoorten een echte zomerkool. Ze wordt daarom meer rauw gebruikt in salades.Andere mogelijke bereidingen zijn hetzelfde als bij witte kool (vb. zuurkool).Schoonmaken van spitskool doe je door de lelijke buitenste bladeren eraf te halen, de kool te wassen en vervolgens langs de zijkant in dunne repen te snijden. Hoe fijner gesneden, hoe korter de (eventuele) kooktijd zal zijn.

Lees minder

Staakboon

oorten:

Er zijn verscheidene soorten en vormen, waaronder voor ons de meest bekende : stokslaboon, prinsessenboon, pronkboon, spekboon, kouseband, sperzieboon, …

Telen:

Zaden kunnen in potjes gezaaid worden vanaf midden april onder koud glas of anders ter plaatse in volle grond vanaf midden mei.

Nadeel van in potjes zaaien is dat de penwortel makkelijk door de potjes durft komen vooral bij turfpotjes. Beschadiging is dan ook niet gering, wat onherroepelijk leid tot algemene achterstand van de plant.

Zaai op een diepte van maximaal 4cm. En bevochtig de grond liefst een dag op voorhand.

Weet ook dat de grond warm genoeg moet zijn voor een vlotte kieming mogelijk te maken. 12°C is goed als bodemtemperatuur en 15°C als dagtemperatuur.

Je kan zaaien tot uiterlijk de 2de week van juli. Indien je wenst kan je met zwarte plastiek enkele weken op voorhand de bodem laten opwarmen.

Vooraleer we in volle grond beginnen zaaien hebben we de nodige opstellingen nodig, tenzij we kiezen voor de struikvormen natuurlijk. Voor de klimsoorten maken we best gebruik van staken . Staken kunnen bestaan uit lange stokken hout of bamboe (van degelijke kwaliteit), of van een ijzeren pijp met een fietswiel voorzien van de nodige koorden waarop de bonen kunnen groeien en hechten. Staken kunnen makkelijk tot 3 meter lang zijn, al naargelang de gekozen soort. Maak hiervoor een bedding van 1 meter breed en zet de stokken verdeeld aan beide zijden schuin in de grond, verbind bovenaan met dwarsligger. Je kan met stevig koord de staken bovenaan extra vastsnoeren als je wil.

Let op : Staken zijn erg onderhevig aan windstoten daar zij veel wind vangen. Omvallen vermijden door extra koorden te spannen. Eens de staken gezet zijn, kunnen we starten met zaaien.

Zaai steeds in een halve cirkel aan de binnenkant van de staak, dit doen we speciaal voor de plant goed te laten hechten.(Bij het groeien komt de plant automatisch de staak tegen). Zelf zaai ik een 10 tal zaden verdeeld per halve cirkel.

Aanaarden gebeurd na de eerste bladvorming, opgelet voor wortelschade! De bonen hebben een oppervlakkig wortelgestel.

Meststoffen hoeven niet gegeven te worden, de bonen brengen zelf stikstof in de grond. (Gezien we de normale compostgiften van de groentetuin naleven).

Wanneer teveel stikstof word gegeven kunnen zouten zich gaan ophopen in de bodem wat wortellekkage en verbranding kan geven.

Voorzie voren voor watergiften, en mulching kan dan ook toegepast worden.

Verder moet er gewied worden om het bed onkruidvrij te houden.

Zaai geen bonen dicht bij gewassen als erwt, venkel en alliums (ui, knoflook,enz…).

De boon hoort thuis op het bed van de peulgewassen en de teeltwissel van minstens 1 op 4 jaar moet gehandhaafd worden.

Oogsten: voorzie steeds struikvormen deze geven veel vroeger peultjes maar minder productie. Verder voor staken heb je zowel vroege als latere soorten, wat op zich mooi is om een gespreide oogst te realiseren.

Uit de mooie bloemwijze die alle kleuren kan hebben, komt dan de boon tevoorschijn die onderaan soms al plukklare bonen hebben met aan de top nog te vormen bonen. Daarom steeds voorzichtig de boon van de stengel halen !

Stamboon

Stambonen zijn ideaal voor een kleine tuin of plantenbak. Je hebt geen stokken nodig omdat ze laag blijven. In vochtige aarde duwen bij een temperatuur vanaf 15 graden en straks oogst jij je eigen sperziebonen.

Stambonen rassen

Er zijn een heleboel namen en rassen voor deze groene boon o.a. princessenboon (slaboon, spercieboon) De boterboon die niet groen is maar geel en ook wel wasboon wordt genoemd. Daarnaast heb je nog chinees boontje en naaldboontje, Voor al deze bonen geldt, jong oogsten voor een fijne knapperige boon.

Stambonen leggen

Je kunt ze binnen zaaien vanaf eind april tot half mei, je oogst dan vanaf half juli tot half augustus. In de volle grond zaaien vanaf begin mei tot eind juli. op 50 x 8 cm voor een oogst vanaf half juli tot half aug. De voor gekweekte bonen uitplanten vanaf begin mei op afstanden van 50 x 8 De bonen kiemen bij een temperatuur vanaf 15 graden in 7 tot 14 dagen. Het zaad blijft drie jaar kiemkrachtig.

Mest en water

Bonen zijn vlinderbloemigen, ze maken zelf stikstof aan in de wortelknolletjes en hebben daarom geen behoefte aan bemestte tuinaarde. Voor een voorspoedige kieming heeft de boon vochtige aarde nodig. Geef regelmatig water als het niet regent. Bij droogte is mulching gewenst ( de aarde bedekken met een laagje gras).

Stambonen groeien goed met

Aardappel, aubergine, bonenkruid, komkommer, pompoen, rozemarijn, salie, selderie, suikermais, sluitkool, Ze groeien niet goed samen met bieslook, doperwt, knoflook, knolvenkel, prei, rode biet, sjalot en uien.

Ziekten en plagen

Vogels zijn dol op net gezaaide bonen, ik verstop ze altijd goed want als ze het eenmaal ontdekt hebben blijven ze zoeken. Slakken zijn dol op de jonge plantjes. Bonenluis komt in theorie voor, zeker op tuinbonen, maar in de praktijk nog nooit mee gemaakt. Ik doe er allemaal niet zo veel aan, behalve een doosje zaaad achter de hand houden en zonodig opnieuw zaaien.

Tomate

Verschillende soorten tomaten kweken

Net als in de winkel kun je bij het kweken van tomaten kiezen uit ontzettend veel soorten in alle kleuren en maten. Denk aan de kleinere (snoep)tomaatjes zoals cherrytomaten, de lekkere sappige en smaakvolle romatomaten, stevige vleestomaten en cocktailtomaten. De meeste tomatenrassen klimmen omhoog en groeien in stamvorm. Je kunt ook kiezen voor struikvormige tomatenplanten of juist voor dwergtomaten, deze zijn ideaal voor het kweken in pot. Zaden en voorgekweekte plantjes zijn onder andere verkrijgbaar bij tuincentra.

Tomaten zaaien en verplanten

Zaaien: Vanaf maart tot en met mei kun je tomaten voorzaaien in een zaaibakje in huis of in de kas. Hiervoor kun je het beste gebruik maken van biologische potgrond of zaai- en stekgrond.

Ontkiemen: Bij een kamertemperatuur van 20 graden ontkiemen de zaden na ongeveer tien dagen.

Verpotten: In de maanden mei of juni mogen de tomaten naar buiten en kun je de plantjes ompotten naar een grote pot of planten in de volle grond.

Volle grond: In de volle grond plant je de planten op een zonnige standplaats ten minste 50 cm uit elkaar, zodat iedere plant straks voldoende ruimte krijgt om te groeien.

Opbinden: Wanneer de plant groter wordt start je met het leiden, oftewel opbinden van de plant. Je kunt hiervoor (bamboe) stokjes of speciale tomatenrekjes of tomatenstokken gebruiken. Zo voorkom je dat de stelen kans krijgen om te knakken door het gewicht van de tomaten of een zomerse storm of stortbui.

Verzorging tomatenplanten

  • Qua verzorging hebben tomatenplanten vooral behoefte aan een zonnige standplaats en warme, goed bemeste, waterdoorlatende grond.

  • Geef altijd water onderaan de plant. Zo heeft je tomaat minder kans op schimmelziekten.

  • Geef ook liever 1x in de week heel veel water in plaats van elke dag een klein beetje. Zo ontwikkelt je tomatenplant langere, diepere wortels en daarmee een sterker wortelsysteem.

  • Tomaten geef je dus veel water, maar alleen totdat deze beginnen te verkleuren. Geef dan matig water, anders barsten de vruchten!

Hoe dief je tomaten?

- Het dieven van tomaten doe je door de okselscheut te verwijderen. Dat is het takje dat groeit uit de tomatenplant.

Dieven van tomatenplanten

Klimtomaten en stamvormige tomatenplanten dien je verder iedere week te ‘dieven’. Dieven is het verwijderen van de nieuwe stengels in de okselscheuten van de plant. Deze stengels zou je kunnen zien als overbodige takjes die alleen maar energie van de plant snoepen. Door deze stengels tussen de oksels van de plant te verwijderen, krijg je sterkere planten met sterke stam en lekkere vruchten.

Op de bovenstaande foto houdt de persoon zo’n overbodige tak vast. Verwijder deze okselscheut, het liefste al zodra je ‘m ziet verschijnen. Dan geneest het ‘wondje’ in de oksel van de tomatenplant beter en loop je minder kans op ziekte en schimmels.

Zodra de planten wat groter en zwaarder worden, geef je de planten steun door middel van het aanbinden aan een stok.

Bestuiving zelf een handje helpen

Hoewel tomaten zelf (in samenwerking met insecten) voor de bestuiving zorgen, kun je vanaf het moment dat er gele bloemen tevoorschijn komen helpen bij de bevruchting. Door de planten zo nu en dan zachtjes te schudden komt het stuifmeel sneller los en vergroot je de kans dat er een tomaat uit de bloemetjes groeit.

Oogsten

In de maand augustus, zo’n tien weken na het zaaien, zijn de eerste tomaten rijp om te oogsten.

Pluk altijd boven het kroontje, zo blijven de vruchten langer vers.

Wanneer in de maand september de kou toeslaat is het vaak verstandig om ook de nog niet rijpe tomaten te plukken. Deze kun je dan op de vensterbank laten narijpen.


Ui

Zaaien

Uien kunnen uit zaad geteeld worden, maar we maken het ons gemakkelijker als we een zakje poot (plant)uitjes kopen. Ze kunnen vanaf maart geplant worden, en zullen al snel daarna hun eerste uienpijpjes de grond uit piepen. Plant niet later dan april - de bolvorming is afhankelijk van daglengte en temperatuur. We moeten er voor zorgen dat we al flinke planten hebben voordat de bolvorming begint - zo krijgen we de grootste uien. Te dicht op elkaar geplante uien worden sneller rijp en blijven dus kleiner. De juiste plantafstand is ongeveer 15 x 15 cm. Plant pootuitjes zo diep dat de hals nog net zichtbaar is. Druk de aarde goed aan. Pootuitjes kunnen een warmtebehandeling ondergaan waardoor ze minder snel gaan schieten. Ze worden dan enkele weken bij 20 graden Celsius bewaard. Ik heb het zelf een keer uitgeprobeerd met stuttgarter pootuitjes. Ik heb ze wat vroeger gekocht dan anders, en ze op een warm plekje in de huiskamer gelegd (op een hoge kast). Twee weken later heb ik pas gepoot. Uiteindelijk had ik maar een doorschieter op een totaal van 80 pootuitjes.

Een alternatief voor pootuitjes is zelf zaaien in het najaar (eind augustus) en de planten laten overwinteren om ze in de volgende zomer te kunnen oogsten. Er zijn speciale winterui-varieteiten (shakespeare) die hiervoor geschikt zijn.

Bemesting

Uien hebben het liefst een wat kleiige grond. Zand gronden zijn wat droogtegevoeliger. Uien houden niet van verse (stal) mest, of van mest of compost met grove bestanddelen. Ideaal is een goed verteerde mest die voor de winter al werd aangebracht.

Ziekten en plagen

De maden van de uienvlieg boren gangen in de bollen. Ze worden o.a. aangetrokken door verse stalmest. De poppen overleven in de grond. Pas daarom vruchtwisseling toe en kies voor uien een plek waar de afgelopen 2-3 jaar geen uien, prei of knoflook stond. Schimmelziekten kunnen het blad aantasten onder natte omstandigheden.

Gewasverzorging

Uien zijn relatief onkruidgevoelig omdat het blad veel licht doorlaat op de bodem. Probeer daarom het uienbed van het begin af aan goed onkruidvrij te houden.

geef ook goed water in droge tijden. Uien wortelen niet diep en kunnen daarom snel last van droogte krijgen.

Oogsten en bewaren

Uien die in augustus nog groen loof hebben, kunnen we 'knakken' (platleggen van het blad) om de rijping te bevorderen. Droog de uien goed na de oogst door ze op te trekken en beschut te leggen. Maak daarna een 'uienvlecht' en hang die op een droge plek.

Een uienvlecht maken.

Zo'n vlecht beginnen we door een drietal grote uien samen te binden aan het einde van een touw (1). Daarna voegen we steeds uien toe, door het loof een slag om het touw te draaien (2). De ui gaat over het loof heen, en wordt dan wat aangedrukt. Daarna snoeien we het loof (4).

Veldsla

Veldsla (Valerianella locusta) behoort tot de Valeriaanfamilie en is dus niet verwant aan de gewone sla (Lactuca sativa, Composietenfamilie). Het is een klein plantje met lepelvormig blad dat vaak in gemengde, decoratieve salades wordt gebruikt. Bijzonder aan veldsla is dat het plantje volledig winterhard is. In de winter kun je hem onder de sneeuw vandaan halen en zal hij nog prima te eten zijn.

Zaaien

Veldsla wordt in augustus en september in de volle grond gezaaid. De in augustus gezaaide planten zijn oogstbaar van oktober tot en met januari. De plantjes die in september worden gezaaid zijn pas in februari/maart oogstbaar. Zaai op rijen, met 3-5 cm in de rij en 10-15 cm tussen de rijen. De zaaidiepte is 1-2 cm.

Bemesting

Veldsla stelt geen overdreven eisen aan de bemesting. Het wordt vaak als volggewas na een ander gewas verbouwd. Als dat vorige gewas goed bemest was, is er ook wel voldoende over voor de veldsla. Bij twijfel kan er altijd wat compost ingewerkt worden.

Ziekten en plagen

Veldsla is een inheemse plant die weinig gevoelig is voor ziekten. In de beroepsteelt zijn wel enkele ziekten bekend, zoals 'smeul', een schimmelziekte die de voet van de plant aantast. Een andere schimmelziekte is Phoma valerianellae. Deze uit zich door bruin wordende planten, of door rode strepen op stengels of ronde vlekjes op het blad. Vernietig altijd plantjes waarvan u denkt dat ze deze ziekte hebben. Verwar de ziekte niet met de natuurlijke slijtage van oudere blaadjes die dicht tegen de grond aan zitten.

Gewasverzorging

Houd het gewas goed onkruidvrij. Veldsla heeft maar kleine, lage plantjes en geeft onkruid dus veel kans.

Oogsten en bewaren

Bij het oogsten worden de hele rozetten afgesneden. Bewaren is eigenlijk niet nodig, de planten zijn de hele winter uit de tuin te oogsten. In de koelkast zijn de plantjes een week goed te houden.

Van veldsla kan eigen zaad worden gewonnen. De planten bloeien doorgaans in mei en rijpen in juni af. Oogst ze voordat de vruchtjes rijp zijn en afvallen. Hang ze ergens te drogen om later het zaad te verzamelen.

Geschiktheid voor de vierkanteMeterTuin

Veldsla is uitermate geschikt voor een vierkanteMeterTuin of terras omdat het een klein gewas is en groeit in een periode waarin er vrijwel niets anders te telen is.


Venkel

Zaaien : In het voorjaar zaaien onder glas of in het late voorjaar in volle grond zaaien.

Hoogte : 30-50cm in bloei: tot 150cm

Bloeitijd : juni- juli. Schermen met kleine gele bloemen. Hieruit ontwikkelen zich de naar anijs smakende zaden.

Algemene kenmerken : Winterharde kruidachtige vaste plant. Vormt geen knol. Bladvenkel. Heel decoratief, ook voor gebruik als opvulplant in een border. De sierlijke, fijnvertakte, varenachtige bladeren hebben een lichte bronskleur en anijsgeur. Net als dille heeft venkel vezelrijke bladstelen. Venkel bevat een hoog gehalte aan het fenol anethol.

Standplaats/ habitat : Zonnig en warm. Goed doorlatende vruchtbare grond. Op een zeonnige, droge plaats is het loof het mooist en geurt het best.

Keuken : Het blad wordt gebruikt bij varkens- en rundsvlees. Bij visgerechten, sauzen, dressings. Het zaad wordt als specerij gebruikt, in gebak, koekjes. Ook voor het inmaken van augurken en komkommers en in kruidenazijn. De zaden worden gekauwd als ademverfrisser.

Gebruik : Het zaad werkt bij darmkrampen. Het reinigt de nieren. Aftreksels van de bladeren worden gebruikt in tonics en gezichtsmaskers.


Witloof

De witlofteelt is minder ingewikkeld dan je geneigd bent te denken. In het kort komt het er op neer dat je eerst een dikke wortel gaat telen, net zoals je zou doen met winterpeen of pastinaak. Dan oogst je die wortel, snijd het loof tot op enkele cm af, en pot de wortel opnieuw op in een emmer met zand (dit heet in vaktermen 'intafelen'). Je zet de emmer vervolgens op een donkere plek in een matig verwarmde ruimte. De wortels zullen opnieuw gaan uitlopen en vormen de bekende witlofstronkjes. Dit proces heet ook wel 'trekken' van witlof.

Vroeger werd witlof altijd met dekgrond geteeld, wat wil zeggen dat de witlofstronkjes onder een laagje aarde tot wasdom komen. Ze ondervinden dan tegendruk van de aarde en dat houd de kropjes mooi compact. Tegenwoordig zijn er rassen die geen dekgrond meer nodig hebben. Dat maakt de teelt eenvoudiger; het opnieuw poten is gemakkelijker en kan al in een emmertje. De voortgang van het trekken is eenvoudiger te volgen.

Zaaien

Witlof wordt vrijwel altijd gezaaid in de maand mei. Het zaad is vrij fijn en vereist dan ook een fijn zaaibed. Zaai dun in rijtjes met een tussenafstand van 30 cm. Dun later uit zodat de planten 15 cm van elkaar af staan. Zaai 1 - 2 cm diep, en dek het zaaisel af met vliesdoek als het erg warm en droog is. In mei is de kans op dit weer groot, en het risico dat het zaaisel uidroogt dus ook.

Jonge planten lijken op paardebloem.

Bodem en Bemesting

Witlof heeft maar weinig tot geen mest nodig. Teveel stikstof leidt tot te veel blad en te weinig wortel, en bovendien leveren de wortels dan ook nog een losse krop. Op een normale moestuingrond waar jaarlijks gewassen staan, zal het niet nodig zijn om bij te mesten. Geef bij twijfel alleen wat goed verteerde compost. Traag groeiende wortels leveren later vaste kroppen witlof.

Witlof groeit op de meeste grondsoorten, maar zware klei is minder geschikt omdat daar de wortels gemakkelijk vertakken. De bodem moet goed losgemaakt worden tot op zo'n 30 cm om mooie rechte wortels te krijgen.

Ziekten en plagen

De schimmelziekte Slijmrot (Sclerotinia sclerotiorum) is het meest gevreesd bij witlof. Deze schimmel veroorzaakt het wegrotten van de wortels tijdens de trek. De ziekte is besmettelijk en de schimmel kan lang in de grond overleven. Preventieve maatregelen:

  • Pas vruchtwisseling toe en teel geen witlof na andere gewassen die gevoelig zijn voor de zelfde schimmel (andijvie, erwten, bonen, knolselderij, peen)

  • Geen stikstof bemesting!

  • Zorg voor een goede afwatering

  • Hou een ruime plantafstand aan.

  • Geen wortels intafelen die er ziek uitzien

Bladvuur

Bladvuur (Pseudomonas) is een bacterie ziekte die het blad van jonge planten aantast: de bladranden verkleuren naar zwart en het hele blad sterft af. De ziekte treed op onder warme en natte omstandigheden en wordt (alweer) bevorderd door een te hoog stikstof gehalte in de grond. Verwijder altijd het aangetaste blad en probeer het gewas luchtig te houden door onkruid en overtollig blad te verwijderen. De planten kunnen deze ziekte overleven.

Gewasverzorging

In het begin van de teelt gaat de meeste zorg zitten in het bereiken van de juiste plantafstand - het uitdunnen dus. Witlof plantjes kunnen in principe ook overgeplant worden, maar het is niet echt aan te bevelen. De penwortel kan beschadigd raken, waardoor die uiteindelijk krom wordt of gaat vertakken. Verder levert overplanten altijd een groeiachterstand op. Zaai dus liever en dun uit als het kan.

In het begin van de teelt is het raadzaam om het onkruid goed te wieden. Als de planten wat ouder zijn houden ze zelf het onkruid er wel onder.

Witlof kan aangeaard worden, maar het is niet echt nodig.

Wortels oogsten en afsnijden

Zo tegen half of eind november wordt de buitentemperatuur te laag en groeien de witlofplanten niet meer. Dat is het moment om ze te oogsten. Doe dit voorzichtig om de wortels zo min mogelijk te beschadigen. Spoel de wortels niet schoon onder de kraan; er mag best wat aarde aan blijven hangen.

Bij droog weer kunnen we de planten eventueel nog een paar dagen buiten laten liggen. Ze moeten wel een beetje afgedekt worden om uitdroging te voorkomen. In deze fase kan de plant nog voedingsstoffen uit het loof trekken en opslaan in de wortel.

Na een paar dagen snijden we het loof af op enkele centimeters boven de wortelhals. Als je te diep afsnijd, beschadig je het groeipunt. Dit is dan zichtbaar als een egaal wit rondje in het midden van de snede.

Geoogst en afgesneden, klaar voor intafelen.

Zo'n wortel gaat ook weer uitlopen, maar niet uit het beschadigde groeipunt. Het zijn dan de secundaire knoppen in de bladoksels die gaan uitlopen. Je krijgt dus niet een grote krop, maar een veelvoud aan mini-kropjes!

Het groeipunt is het weefsel waar de bladeren uit ontstaan. Als je een witlof plant helemaal zou 'afpellen', zou je uiteindelijk een hard wit knopje met een spits puntje overhouden. Dat is het groeipunt dat intact moet blijven.

Intafelen zonder dekgrond

De wortels moeten nu opnieuw geplant worden. Dat kan in emmers, in kratjes, de badkuip, of wat er ook maar beschikbaar is. Belangrijk is dat er wel een gaatje in de bodem zit, zodat een te veel vocht kan weglopen, en er een beetje lucht bij de wortels komt.

Vul de emmers bij voorkeur met zand of in elk geval met lichte aarde, dat zorgt voor een goed contact tussen wortel en aarde. Na het planten komt alleen het afgesneden bladrozet nog boven de grond uit. Tijdens de trek vormen de 'pennen' (de dikke hoofdwortel) veel dunne witte haarwortels. Deze nemen nog voedingsstoffen en water uit de grond op. De grond mag tijdens de trek dus niet helemaal opdrogen. Af en toe moeten we even controleren en zo nodig wat water geven.

Witlof ingetafeld zonder dekgrond. Nu afdekken en koel wegzetten.

Intafelen met dekgrond

Intafelen kan ook buiten in de volle grond. De wortels worden dan in een kuil of greppel gelegd die ongeveer net zo diep is als de wortels lang zijn. Tussen de wortels wordt weer lichte aarde ingewerkt of ingespoeld, zodat er een goed contact ontstaat tussen wortels en aarde. Het geheel wordt afgedekt met een laag lichte aarde van 10-20 cm dik. Hoe dikker de laag aarde, des te later de kroppen oogstrijp zullen zijn. Om ze te beschermen tegen de ergste kou komt er boven de deklaag nog een laag stro. Dat stro kan dan weer afgedekt worden met golfplaten of landbouwplastic.

De oogst valt bij deze teeltwijze pas in het voorjaar, als de buitentemperatuur gaat oplopen. We kunnen ze wel eenvoudig grotere hoeveelheden witlof telen. Het oogstmoment kan nog gespreid worden door de dikte van de deklaag te varieeren.

Oogsten en bewaren

De witlofwortels kunnen het beste bij een temperatuur van 13-18 oC trekken. Bij een te koude temperatuur duurt het erg lang voor er kroppen komen, bij een te hoge temperatuur worden de kroppen te los.

Eenmaal geoogst zijn de stronkjes nog een week houdbaar in de koelkast. De overgebleven wortels kunnen op de composthoop.

Het oogsten kan bij de teelt in emmers worden uitgesteld door de witlof op een koelere plek te bewaren.


Witte kool

Zaaien

We kunnen witte kool in september onder glas zaaien (zgn. weeuwenteelt ), en de plantjes in de winter vorstvrij houden. In maart kunnen we ze afharden en in de volle grond zetten. We kunnen ook in februari al binnen zaaien en in april uitplanten als de planten groot genoeg zijn. Plantjes die we in een tuincentrum kopen kunnen medio maart de grond in. De planten moeten ongeveer een halve meter uit elkaar staan.

Bemesting

Kool heeft een voorkeur voor kleigrond maar kan in elke goede tuingrond groeien. Zorg voor een goede vruchtbaarheid door compost of stalmest in het plantgat te mengen. Heeft u geen compost van goede kwaliteit of stalmest, dan kan ook met koemestkorrels een goede organische bemesting worden gegeven.

Ziekten en plagen

Het probleem met de teelt van koolsoorten zit hem vaak in de ziekten en plagen. (en soms met de plantafstand, omdat de planten wat groter worden dan we verwachten). Kennis van de ziekten en plagen van kool is belangrijk om succesvol te kunnen blijven telen.

Problemen

  • Pas gezaaide plantjes verwelken en sterven af. Waarschijnlijk het gevolg van een kiemschimmel. Zaai opnieuw in schone potgrond, kies een grotere pot of maak een zaaibedje in de volle grond.

  • De planten verwelken en groeien niet meer, of sterven in hun geheel af. In wortels en onderste stengeldelen zijn bruine graafgangen te zien. Het gaat waarschijnlijk om de koolvlieg.

  • De planten verwelken en groeien niet meer, of sterven in hun geheel af. De wortels zijn grillig vervormd.Het gaat hier waarschijnlijk om knolvoet.

  • Het hart van de koolplant ziet er raar uit en groeit niet verder. In de top van de jonge plant zijn vreemde vergroeengen te zien. Dit heet ook wel draaihartigheid en wordt veroorzaakt door de koolgalmug. Deze mug vliegt vanaf mei en legt haar eitjes in de groeipunten van de kool. De larven veroorzaken dan een afsterven van het groeipunt en/of vergroeengen, waarna de boel ook nog eens kan gaan rotten. Tegen dit beestje kunnen we het beste insectengaas gebruiken (maaswijdte < 2 mm). Na het sluiten van de kool (het groeipunt raakt bedekt omdat de kool een krop begint te vormen) is dit gevaar geweken.

  • De bladeren worden aangevreten in een onregelmatig patroon. Er zijn slijmsporen te zien. De planten worden aangevreten door slakken. Kies een combinatie van bestrijdingsmethoden die in jouw situatie het beste uit te voeren is.

  • De bladeren worden aangevreten in een onregelmatig patroon. Er zijn rupsen op de kool, en er zijn uitwerpselhoopjes te zien.

  • Er zijn veel rupsen met een gelig lichaam, zwarte kop, en zwarte punten. Dit is het grote koolwitje.

  • Er zijn enkele solitaire rupsen. Ze zijn groen van kleur en hebben een gele zijstreep. Dit is het kleine koolwitje

  • Er zijn veel rupsen die grijsgroen van kleur zijn met zwarte puntjes en een lichte kop. Oudere rupsen hebben een donkere streep op de rug.Dit is de kooluil.

  • Een gesloten kool rot van binnenuit weg.Meest waarschijnlijke kandidaat is de kooluil..

  • De bladeren zijn bezaaid met kleine ronde gaatjes. Dit is het werk van de aardvlo..

  • Er zijn grote happen uit de bladeren. Sommige planten zijn in hun geheel verdwenen. Bij dit soort schade moet je denken aan grotere dieren, bijvoorbeeld konijnen. Kijk naar uitwerpselen of pootafdrukken. Zet gaas om de planten heen.

  • Er zijn witte vlekken op de onderkant van de bladeren. Als ik ze aanraak, vliegen witte vliegjes op. Dit is de koolwittevlieg.

  • De koolkroppen vertonen grote barsten. Dit is geen ziekte, maar het gevolg van een onregelmatige vochttoevoer in de wortelzone. Probeer te verhinderen dat de grond te veel uitdroogt in een droge, hete periode. Dit kan bijvoorbeeld door te mulchen - dat verkleint de verdamping. Als de kolen al groot genoeg zijn, kunnen de wortels wat losgetrokken worden. Dat verminderd in een (te) natte periode de toevoer van vocht vanuit wortels naar kool en daardoor de kans op barsten.

  • Mijn planten en kroppen zijn altijd aan de kleine kant. Probeer de bemesting eens wat op te peppen. Zelf gemaakte goed verteerde compost bevat alles wat een plant nodig heeft. Dierlijke mest of koemestkorrels zorgen voor extra stikstof. Beendermeel is een goede bron van fosfaat.

Gewasverzorging

Zorg voor een onkruidvrije omgeving, en geef extra water in droge perioden. Gebruik indien mogelijk insectengaas - dit lost veel teeltproblemen op en levert mooie schone kolen op.

Oogsten en bewaren

Oogst de kolen uiterlijk voordat het gaat vriezen. Bewaar ze op een koele vorstvrije plaats. Probeer bij een grote oogst eens zelf zuurkool te maken.

Witte radijs

Het leuke van radijsjes is dat je ze al een paar weken na het zaaien kunt oogsten; ze kiemen snel en groeien snel.

Eigen teelt radijsjes zijn heel smaakvoller, knapperiger maar vooral pittiger van smaak, dan uit de winkel. Lekker in gemengde salades, op een boterham met kaas, of zo uit het vuistje.

Gooi de blaadjes van de radijs niet weg!

Ze zijn voedzaam en geven een peperige smaak aan salades maar kunnen in soep of stoof-gerechten gebruikt worden in plaats van bv spinazie of waterkers. Laat radijs eerst in ijskoud water liggen, dan worden ze ultra knapperig. Naast de bekende rood-roze ronde knolletjes, zien we de laatste jaren steeds meer soorten. Rond of langwerpig, wit, geel of paars!

Beautiful White, Light en Delicious!

Hailstone kwam in 1908 voor het eerst op de markt. Het bijzondere aan deze plant is dat het sneeuw witte radijsjes geeft. De smaak is net zo bijzonder als de knolletjes, heerlijk knapperige, mild zoete en licht peperig smaak. Hailstone behoort tot de beter smakende radijs soorten.

Radijs zaaien :

Maak een zaairij in de grond van 0,5 tot 1 cm diep en strooi om de 5 cm een zaadje. Houdt een onderlinge afstand tussen de zaairijen van 8 cm aan. Maak de zaairij dicht en geef voorzichtig water. Na 5 tot 7 dagen kiemen de zaden al en verschijnen de kiemplantjes boven de grond. Zodra de radijsplantjes 1 cm groot zijn, kunnen ze gedund worden op 8 cm. Niet dikker, want dan blijven de knolletjes klein door gebrek aan voldoende licht.

Radijs kweken :

De teelt van radijs is snel en eenvoudig. In de zomer is de duur van zaaien tot oogsten maar 25 tot 30 dagen. Radijsjes groeien goed in de moestuin, maar zijn ook zeer geschikt om in potten en bloembakken te kweken.

De grond gelijkmatig vochtig houden is belangrijk bij de teelt van radijsjes om gescheurde knollen tegen te gaan, zeker tijdens droge periodes. In de hete periodes kan radijshet best op een koelere plek gezaaid worden om te voorkomen dat de planten te snel doorschieten. De bovenkant van de radijsknolletjes groeien boven de grond. Als de bovenkant van deze knolletjes ongeveer 1 cm groot zijn kunnen ze geoogst worden. Verwijder het blad na het oogsten, zodat de radijsjes langer houdbaar zijn.

Wat je nog niet wist over de radijs:

  • Radijs werd al 2000 jaar voor Christus geteeld.

  • In Nederland maken we rond 1550 voor het eerst kennis met radijs.

  • Radijs houdt niet van verse mest.

  • Radijs wil niet twee keer op dezelfde plaats groeien.

  • Gekookte radijs heeft een zachte bloemkool smaak.

  • Je kan het blad van radijs ook eten.

  • Het radijsblad is nog gezonder dan de knol.

  • Radijs is ook heerlijk als je hem dipt in chocolade.

Het recept van de Maand Juli

Salade met witte radijsjes, gerookte kip en druiven

Dit recept is voor 3 a 4 personen.

De ingrediënten:

  • Een zak Rucola sla mix

  • 1 gerookte kipfilet in stukjes

  • Een hand vol rode pitloze druiven

  • 1 Appel in blokjes

  • Een handje vol Paranoten (fijn gehakt)

  • 1 bakje Cherry tomaatjes gehalveerd

  • 10-15 witte radijsjes in plakjes

  • Geraspte Parmazaanse kaas en wat tuinkers, als laatste over de salade strooien.

Voor de dressing: limoensap, olijfolie, honing, mosterd, peper & zout.

Gooi alles door elkaar en eet het op! Lekker met vers gebakken brood!

Smakelijk!

Wortel

Worteltjes zijn gezond, en lekker, en leuk om te telen. Je hebt er wel wat geduld voor nodig want na het zaaien moet je wel 3 maanden wachten voor je kunt oogsten. Maar de teelt is heel makkelijk, je hebt er weinig omkijken naar.

Wanneer zaai ik worteltjes?

  • Begin maart – eind juli

  • Volle grond

Je zaait worteltjes (niet te verwarren met winterpeen!) tussen begin maart en eind juli. Het voorzaaien van worteltjes in potjes is eigenlijk niet heel handig, wortels maken een lange wortel onder de grond, dus voor de teelt in een pot heb je een vooral heel diepe pot nodig. En doordat een wortel maar 1 heel lange wortel maakt is ze heel lastig te verplanten. En bij het verplanten kunnen er kleine vliegjes op de geur van het blad afkomen (wortelvlieg) die eitjes leggen bij de wortel, de larven eten vervolgens in de zomer van de wortel. Het gaat in principe allemaal veel beter als je gewoon gelijk de zaden in de volle grond zaait, dat het in maart nog koud is maakt voor een worteltje niet uit.

Waar zaai ik worteltjes?

  • Volle grond

  • Zon

  • Luchtige grond

Direct in de volle grond dus. Worteltjes houden van een zonnige standplaats en een lichte en luchtige bodem (op zware kleigrond kunnen de wortelen niet heel goed recht naar beneden groeien en kunnen ze nog wel eens vertakken of heel stomp in plaats van puntig worden, dat maakt ze trouwens niet minder lekker hoor). Als de grond heel zwaar is kun je wat zand door de bovenlaag mengen zodat de grond toch wat luchtiger is voor de worteltjes.

Hoe zaai ik worteltjes?

  • Geultje

  • Plantenspuit

  • Kiemen 3-4 weken

Maak een ondiep geultje in de grond en leg elke 3 centimeter 1 zaadje. Dek de zaden af met wat zand en geef de eerste weken regelmatig en voorzichtig water met een plantenspuit. Worteltjes kiemen heel langzaam, het kan wel 3 of 4 weken duren. En dan is het zand waar je de zaden mee hebt afgedekt heel handig, want zo kun je goed zien waar de zaailingen boven de grond moeten komen.

Hoe verzorg ik worteltjes?

  • Weinig voeding

  • Weinig water

Worteltjes hebben niet veel voeding nodig, als je arme grond hebt kies dan een meststof waar wat extra kali in zit, want kali is goed voor de ontwikkeling van de wortel (doe dat dan ongeveer 2 weken voor het zaaien). Geef af en toe water als het niet regent.

Hoe oogst ik worteltjes?

  • Bovenkant 2 cm

  • Verwijder loof

Als je de grond rond de worteltjes een halve centimeter weg veegt kun je de bovenkant van de worteltjes zien, en als je die dik genoeg vindt (2 centimeter is een mooi formaat) kun je het worteltje oogsten. In zanderige grond kun je dat doen door de wortel aan het loof voorzichtig uit de grond te trekken. Op zwaardere (klei)grond kun je de wortel uit de grond halen door een spitvork of schep(je) ongeveer 5 tot 8 centimeter naast het worteltje zo diep mogelijk in de grond te steken en zo de grond met wortel en al op te tillen.

Draai of snijd direct na de oogst de stengels met blaadjes van de wortel af, als je het loof laat zitten wordt de wortel na enige uren zacht. Oogst worteltjes zo kort mogelijk voor je ze gaat eten, dan zijn ze het lekkerst, maar je kunt ze (zonder loof dus) ook nog wel 1 of 2 dagen op een koele en donkere plaats bewaren.