De Geschiedenis

De geschiedenis van het Wijkerzand is uitvoerig bestudeerd en onderzocht door Prof. Dr. P.C.M. Hoppenbrouwers. In de historische reeks van het Land van Heusden en Altena deel 3 beschrijft voornoemde Peter Hoppenbrouwers "De vroegste geschiedenis van het Wijkerzand (15e-16e eeuw)". In deel 16 van dezelfde historische reeks beschrijft Hoppenbrouwers “De latere geschiedenis van het Wijkerzand" (18e-20e eeuw). Download hier het artikel.

Een beknopte geschiedenis is in 1987 geschreven door Martien Hagoort en is hieronder weergegeven;

Het oudste bekende document 1442

Het oudste bekende document waarin het Wijkerzand genoemd wordt is uit 1442. Dirck van der Merweden en van t's Gravenmoer draagt op de burgemeesters van Heusden; Een goed verstandhouding met Philips van Bourgondie 
" Eenen Uyterweert grootende alsoe cleyn gelege is in den Banne van Wyck, buyten dycks,geheeten,Wijkerzant tusschen die dyckeaulinge ende Roekweert aen d'een zijde ,en de die Maze aen d'andere zyde ,streckendevan Nieuwen Weert ende van de Koren Zande totter Wyckser Molen toe" 
In dezelfde acte wordt tevens vastgelegd dat Ridder Dirck in erf pacht krijgt. Echter op 14 maart 1459 komt hier een eind aan. Dirck Spierink van Well , ambachtsheer van Wijk en de onderzaten in de parochie van Wijk alle geeft opdracht aan oude en jonge ,rijken en arme inboorlinge van Wijk 
Dragen op te geven aan Philips van Bourgondie het Wijkerzand "mettenboomen, gras, rijzen en de marassen ende alles haeren toebehoren. In ruil voor deze gift ,die in latere stukken en in de volks mond soms ten onrechte omgekeerd wordt weergegeven, kregen de onderzaten van Wijk erfelijk vrijstelling van allerlei soorten belastingen. Wat er geworden is van de rechten van Dirck van Merweden is niet te achterhalen. Wellicht zijn de aanspraken van de ridder gewoon door "die van Wijk" ontkent en heeft men zich rechtstreeks tot Philips gewend. De overeenkomst past duidelijk in het algemeen patroon in die tijd, waarbij de invloed van lagere adel wordt teruggedrongen ten gunste van de Hertog van Bourgondië. De lokale bevolking kon zich zo ontdoen van de directe bemoeienis van de plaatselijke ridders die vaak onredelijke schattingen in geld en natura oplegden. Het " Privilege van Philips van Bourgondië voor Wijk in het land van Heusden ", zoals de giftbrief werkelijk heet legt ook vast dat men het Wijkerzand "Nimmer meer keren nog zaaien en zal, maar dat dat altoos weyland blijven zal en dat men daarop niet meer Weyden zal dan 180 schaarbeesten". Van de schenking aan Philips waren 4 scharen voor de ambachtsheer en 4 scharen voor de parochie uitgezonderd. Een schaar betrekt hier het recht op weiden van een stuk rundvee . Ongunstig was de overeenkomst niet voor de inwonende geburen en onderzaten van Wijk want er werd vastgelegd dat de scharen alleen aan hen verhuurd mochten worden. De Rentmeester generaal van Holland was verantwoordelijk voor deze verhuring en het innen van de huurprijs. Deze bedroeg 5 schellingen per schaarbeest . 

Zowel de scharen als de schellingen(later op gevat als stuivers) worden op de huidige dag nog gehanteerd als rekeneenheid bij het beheer van het Wijkerzand. Het huren van scharen door onderzaten van Wijk moet worden opgevat als een recht, en in die zin is er ook sprake van schenking van Philips aan de onder zaten van Wijk. Karel V ,kleinzoon van Philips van Bourgondië, bevestigt op 27 Juni 1515 bovengenoemde overeenkomst, nadat hij zijn raadsheren de echtheid hebben vast gesteld van de acte uit 1459 . De vrijstelling van allerlei soorten belastingen wordt daarmee bevestigd en uit een proces acte van 24 maart 1553 blijkt dat de ontvanger generaal van de bede (oorlogsbelasting) op de grond van bovengenoemde stukken de bedegaarder uit Heusden niet kan dwingen in Wijk de Bed te innen. 

Wijk krijgt een nieuwe ambachtsheer 1724

Over de periode tussen 1553 en 1724 is niet veel te vinden. In het jaar 1724 vindt er in de Republiek der Nederlanden de verkoping plaats van een groot aantal titels, rechten en goederen die in het bezit van de Republiek zijn gekomen in de tachtigjarige oorlog. De reden van de verkoop was gelegen in de grote te korten van de regering van de Republiek. Een acte uit 1724 beschrijft de verkoping van de ambachtsheerlijkheid van Wijk door de Staten van Holland aan Maarten van Vlaaringerwout, oud-schepen van Rotterdam, voor de somma van 4000,- guldens. Behalve uit de titel, bestond deze ambachtsheerlijkheid uit het bezit van de gronde in Wijk en uit een aantal rechten. De betreffende gronden lagen allen binnendijks. De beschrijving van de rechten die bij de ambachtsheerlijkheid horen zijn interessant voor de geschiedenis van het Wijkerzand. Tot de verkoping benoemd de drossaard van Heusden in Wijk 3 burgemeesters, 7 schepenen, 4 schaarmeesters, 4 setters ,3 telders en 2 kerkmeesters. Voor de benoeming van de burgemeesters schaarmeesters en setters en telders leverde de schout van Wijk echter steede "een nominatie van dubbel getal. Deze voordracht bestond waarschijnlijk meestal uit personen uit Wijk, hoewel er later zeker 1 burgemeester van Wijk blijkt te wonen. Uit de acte blijkt dat de drossaard, waarschijnlijk namens de staten van Holland, als ambachtsheer fungeert. Echter bij zijn overlijden of als de functie van de drossaard anderszins vacant wordt, vervallen bovengenoemde rechten met nog andere privileges, aan de koper van de ambachtsheerlijkheid. Uit deze acte blijkt tevens het dorp Wijk geen s'Heeren ponden betaald . 

De vrijstelling van belasting betaling bestaat dus nog en het bestaan van schaarmeester, setters en telders wijst er op dat het Wijkerzand in 1724 nog steeds verhuurd wordt. De betaling van schaargelden aan de rentmeester-generaal van Holland wordt in dit stuk niet genoemd, evenmin als het recht op 4 vrij scharen voor de ambachtsheer op het Wijkerzand zoals dat in 1459 was vastgelegd. Wel is er een algemene verwijzing opgenomen naar de rechten "soodanig als de Raden en Rekenmeesters van onse Domeynen dat selve voor de verkooping hebben gehad en geëxerceerd”
 
Er is echter ook een beschrijving van de ambachtsheerlijkheid van Wijk uit 1818. Dit document verwijst naar de koopakte uit 1724. Het is opgemaakt door de douairière (adellijke weduwe) van Kretschmar. Ze tekent als ambachtsvrouw van Wijk. Naast de genoemde rechten uit de akte van 1724 worden hierin o.a nog 2 rechten genoemd: 

“Komt als ambachtsvrouw het geene voortijds aan Drossaarden van de Stad en Lande van Heusden is goedgedaan geworden uit de rekening van de scharen op het Wijkerzand van 1724 tot en met 1814 jaarlijks 10 zilveren Dukatons, of 31 gulden en 10 stuivers” 

“Idem 8 vrije scharen weide op gemelde Wijkerzand van 1724 tot en met 1814 jaarlijks 96 guldens”


Wellicht zijn dit o.a de rechten waarnaar in de akte van 1724 aan het eind verwezen wordt. Misschien echter bestaat er nog een andere akte die de verkoping door de Staten van Holland van de rechten op het Wijkerzand aan de nieuwe ambachtsheer vastlegt. Het recht van 10 dukatons uit de rekening van het Wijkerzand betreft vrijwel zeker de eeuwenoude betaling van de schaargelden aan de vertegenwoordiger van de soeverigen. De oude munt eenheid, dukatons, wijst hierop. Dat het bedrag zo laag is, is verklaarbaar uit het feit dat de huur per schaarbeest nominaal is vastgelegd in de oude stukken en het geld ook in het verleden in sommige perioden minder waard werd. De 8 vrije scharen zijn zeker de 4 scharen voor de ambachtsheer en de vier scharen voor de Parochie, zoals genoemd in het document uit 1459. Hoe de 4 scharen van de ambachtsheer en de parochie aan de staten van Holland kwamen, zodat deze ze in 1724 weer konden verkopen, is niet geheel duidelijk. Kerkelijk bezittingen in Noord Brabant en Limburg werden tijdens de laatste jaren van de tachtigjarige oorlog door de Republiek der Zeven verenigden Nederlanden voor een deel geconflicteerd. Misschien ligt hierin een deel van de verklaring. Boven genoemde erfelijk rechten van de ambachtsheer op het Wijkerzand ,worden na de Franse tijd(1795-18140) niet afgeschaft of door de nieuwe overheid onder dwang ingekocht, zoals bijna overal wel ge beurde . Het is erg interessant dat er op 20 maart 1885 de schaarmeesters namens de schaargerechtigden de bovengenoemde twee rechten op het Wijkerzand kopen van Jan Willem van Bergen ,erfgenaam van de laatste Kertschmar. In de koopakte worden de rechten op het Wijkerzand precies zo omschreven als in het bovengenoemde document uit 1818 . 

Het verkochte goed omvat de ambachtsheerlijkheid van Wijk en Aalburg. De toevoeging van “en Aalburg” aan de titel is waarschijnlijk te wijten aan onnauwkeurige weergave door de notaris. Behalve de twee rechten op het Wijkerzand omvat het goed ook het recht op approbatie(goedkeuring) van het beroepen van de predikant. De overige rechten die bij de ambachtsheerlijkheid behoorden blijkens de stukken uit 1724 en 1818 zijn blijkbaar door de moderne wetgeving in de vorige eeuw afgeschaft. 

Dat in het verleden de schaarmeesters geraadpleegd werden bij het beroepen van de predikanten, kun je nu in Wijk nog horen vertellen. Weinigen weten waarschijnlijk nog dat de schaargerechtigden ook het eigendom van de titel ”Ambachtsheer van Wijk “ bezitten.

Het Jaar 1816

Het heeft weinig gescheld of de traditie van “Schaarmeesters, Settere, en Telders ging in 1816 verloren. Bovengenoemde functies zijn ooit voor 1816 geschapen om de verhuring van het Wijkerzand namens de rentmeesters van Holland te regelen. Uit de stukken van voor 1800 blijkt echter dat dit bestuur van de uiterwaard steeds zelfstandiger werd. De benoeming van de functionarissen gebeurde formeel door de dossaard namens de regering van Holland en later door de ambachtsheer. De rechten werden betaald, maar voor het overige was het bestuur en beheer van de waard en Wijkse aangelegenheid. Als in de Franse tijd, als voortvloeisel uit de Franse revolutie, de heerlijke rechten aan de kant worden gezet, kiezen in Wijk de inboorlingen tevens ingezetenen de schaarmeesters zelf. Na de Franse tijd worden in het Koninkrijk der Nederlanden de bestuurlijke hervormingen die de Fransen hebben ingevoerd voor het grootste deel gehandhaafd. De indeling in provincies vindt plaats en de gemeente vormen de laagste overheid. Heerlijke rechten t.a.v. heffingen, benoemingen en bestuur worden niet in eren hersteld. Voor Wijk betekent dit dat Gedeputeerde Staten van Noord Brabant op 31 Januari 1816 besluiten dat de uiterwaard het Wijkerzand behoort tot de gewone eigendommen van de Gemeente Wijk, dat weide grond verhuurd dienen te worden en dat de inkomsten uit deze verhuring op gewone wijze moeten worden verantwoord in de gemeentebegroting. De argumenten van het provinciale bestuur komen er op neer dat de rechten op de uiterwaard altijd aan alle inwoners van Wijk hebben behoord en dat alle inwoners voor deze rechten hebben betaald. 

Omdat de gemeente alle inwoners vertegenwoordigd moet de uiterwaarden als eigendom van de gemeente worden beschouwd. Uit het besluit van Gedeputeerde Staten blijkt dat dezen geen kennis hadden van de bovengenoemde oude stukken, evenmin als de inwoners van Wijk de geschiedenis precies kenden. Burgemeester Verhagen van Wijk, woonachtig te Heusden, tekent in een brief van 22 maart 1816 bezwaar aan tegen het besluit van Gedeputeerde Staten. Een van zijn argumenten is dat de uiterwaard; “Oorspronkelijk ter vergelding van de gepresteerde diensten, aan de geboren Poorters(burgers) en Poortkinderen van Wijk door den Soeverein is Uitgeven, terwijl de inboorlinge tevens ingezetenen zijnde ook zonder titel door eene immenoriale daarop een uitsluitend regt hebben verkregen”……. In dit stuk verschijnt voor het eerst de aanduiding “inboorling” tevens “ingezetenen”. Het is mogelijk dat in de lange geschiedenis van het Wijkerzand voor het 1816 inderdaad het gewoonterecht is gegroeid dat de verdeling van de scharen alleen onder de “inboorlingen” die tevens nog in Wijk woonden plaatsvond. Het kan echter ook zijn dat de omschrijving van der rechthebbende op de waard zo gekozen is dat het besluit van de Gedeputeerde Staten kon worden aangevochten. Een ander argument van de Burgemeester tegen het besluit was dat de kleine boeren die vanouds allemaal schaarrecht hadden, hij verpachting door de gemeente voor de hoogste prijs, door de gewone boeren weggeconcurreerd zouden worden, en tot armoede zouden vervallen. Op 3 april van 1816 bevestigden echter Gedeputeerde Staten hun besluit. Op 31 mei 1816 verpacht het gemeentebestuur het Wijkerzand en tiental kleine boeren die sinds jaar en dag scharen hadden, worden uitgesloten. Mensen die niet boer zijn en hun schaarecht verkochten jaar tot jaar zijn hun inkomsten kwijt. Slechts enkele grote boeren die konden pachten hebben baat bij de situatie. De consternatie in het dorp waar bijna alle inwoners afhankelijk zijn van de landbouw is groot. Waarschijnlijk met behulp van de predikant wordt er actie ondernomen. Alle “inboorlingen” tevens ingezetenen tekenen bij de notaris en machtiging voor A. van Veen ,Peter Bleyenberg, Andries Doulie en Bastiaan Kok om inzake de uiterwaard voor hen te handelen. Op 17 juni 1816 sturen deze gemachtigden, ongetwijfeld de toenmalige schaarmeesters, een Rekest (smeekschrift) aan de koning. In dit stuk komen de bovengenoemde argumenten van de burgemeester terug, aangevuld met de verschillende andere gronden waarop het besluit van Gedeputeerde Staten vernietigd zouden worden. Het belangrijkste argument dat het provinciale bestuur bezitsrechten op grond niet kan afnemen en dat de claim dat het Wijkerzand bezit is van de ingeboren en tevens ingezetenen van Wijk alleen voor de rechtelijke macht aangevochten kan worden. De stijl en de vooral scherpe spitsvondigheid van de formulering,verraden de werkzaamheden van een goede advocaat. Onder het stuk staat de naam; H.A Boolard. Koning Willem de eerste neemt op 17 september een besluit. Het rekwest van A. van Veen, Peter Bleyenberg, Andries Doulie en Bastiaan Kok wordt gehonoreerd. De Koning Willem de eerste stelt vast dat de gewone justitie uitspraak moet doen over de bezitsrechten op de uiterwaard. Het besluit van Gedeputeerde Staten mag de rekwestranten geen belemmering opleveren om voor de rechter het herstel van rechten op de waard te vorderen. Pas op 3 Juni 1817 komt de zaak voor de vrederechter van Heusden. Alle inboorlingen en tevens ingezetenen worden bij naam en functie genoemd in het processtuk. Ze worden vertegenwoordigd door Dhr. F.D Morees advocaat te Thiel. Voor deze machtiging hebben alle inboorlingen teven ingezetenen op 3 t/m 9 december 1816 bij notaris van Bers getekend. De eis contra het gemeentebestuur is dat de inboorlingen tevens ingezetenen in het ongestoorde genot van het bezit van de uiterwaard worden hersteld en dat voor de periode van verpachting en schadevergoeding wordt betaald. De rechter overweegt o.a. dat de eisers meer dan een jaar zijn geweest van vredige en ongestoorde bezitters van den uiterwaard, genaamd Het Wijkerzand, gelegen onder de Gemeente Wijk. Immers en in alle geval dat zulks door de gedaagden niet wordt tegengesproken. De uitspraak luidt dat binnen 24 uur de uiterwaard als bezit moet worden overgelaten aan de inboorlingen en dat er schadevergoeding moet worden betaald . De continuïteit van de traditie en de rechten werd op deze wijze veiliggesteld. Enkele keren in de 19e eeuw proberen inwoners van Wijk voor de rechter de verdeling van het bezit af te dwingen. Dit mislukt echter steeds op basis van deze uitspraak.

Het reglement 1850

Rond 1850 is er in Wijk grote onvrede over het beheer van het Wijkerzand, schaarmeesters blijven in gebreken met het niet juist uit voeren van hun taken. De verdeling van de scharen gaat niet meer op een eerlijk manier en er worden ook veel scharen onder verhuurd. Een poging tot verdeling van de uiterwaarden mislukt en met tussen komst van burgemeester Pullen. Komt het voorstel ter tafel om een reglement op te stellen. Dit reglement wordt opgesteld in 1852 en is heden ten dagen nog in alle opzichten een modern stuk. Veel regels worden dan ook nog nageleefd. Sommige regels zijn door de jaren heen aangepast door vergaderingen van schargerechtigden. De besturing van deze wijzigingen wordt bemoeilijkt door het feit dat een groot aantal notulen van vergaderingen verloren is gegaan. In deze eeuw hebben de schaarmeesters daartoe gemachtigd door de schaargerechtigden verschillende transacties afgesloten, o.a. met Rijkswaterstaat over de maas oever. Ook is de z.g. de Oxenwaard aangekocht. Het collectieve bezit Wijkerzand kan zonder meer een uniek historisch verschijnsel in het land van Heusden en Altena worden genoemd. Hopelijk blijft deze traditionele bezitting nog lang als zodanig bestaan, een goed beheer op basis van oude regels lijkt hiervoor een noodzakelijke voorwaarde.

Met dank aan:

Koos Bouman, Ad de Bruin

Streekarchivaris : Tom van der Aalst

Rijksarchief den Haag:  Dhr Plantinga