Zeerijp, voormalig 't Zandt

Geplaatst 12 nov. 2010 00:17 door Fam Drenth   [ 10 feb. 2013 04:29 bijgewerkt ]

Een Riepster storm in een glas water

Op de begrotingen van de negentiende eeuwse gemeentebesturen namen de kosten voor het lager onderwijs een prominente plaats in. De gemeenten moesten zorgen voor goede schoolgebouwen en voor voldoende onderwijzers. In de gemeente ‘tZandt waren deze kosten extra hoog omdat daar op een relatief klein aantal inwoners een groot aantal openbare lagere scholen aanwezig was. Zes stuks maar liefst, die allemaal ingericht, schoongemaakt en onderhouden moesten worden. In totaal waren er veertien onderwijzers in dienst waarvan zes extra dure hoofdonderwijzers. Ter vergelijking: in de gemeente Uithuizen, zeker niet kleiner dan ‘tZandt, waren slechts twee scholen en in een vergelijkbare gemeente als Usquert zelfs maar één.

De Wet op het lager onderwijs van 1878, die de bedoeling had alle kinderen tot deugdzame burgers op te voeden, stelde allerlei eisen aan het onderwijs. Zo was er een maximum gesteld aan het aantal leerlingen dat door één onderwijzer onderwezen mocht worden. Kwam dat aantal op een bepaalde school boven de 40, dan moest een tweede onderwijzer worden aangesteld en bij meer dan 90 leerlingen was een derde onderwijzer verplicht. Het probleem waar veel gemeenten mee te maken hadden was dat de leerlingenaantallen op veel scholen nogal fluctueerden. Het ene seizoen waren er meer leerlingen dan het andere seizoen zodat de kans bestond dat onderwijzers die, volgens de wet, verplicht waren aangesteld, in het daaropvolgende seizoen overbodig waren geworden. In veel scholen liepen zodoende meer onderwijzers rond dan door de wet vereist werden, wat natuurlijk de nodige kosten met zich meebracht.

In een gemeente als ‘tZandt met een relatief groot aantal kleine schooltjes was het risico van het ontstaan van een dergelijke ongewenste situatie extra groot. Vooral de scholen te Eenum, Zijldijk en Zeerijp, waar de aantallen voortdurend schommelden rond de 40 (Eenum) of 90 leerlingen, verkeerden voortdurend in de gevarenzone. De gemeenteraad zon dan ook op maatregelen om hier iets aan te doen en stelde op 21 december 1893 een verordening vast waarbij de gemeente in zogenaamde schoolwijken werd verdeeld. De regeling hield in dat ouders en voogden verplicht waren hun kinderen naar de school te sturen van het dorp waartoe hun woning behoorde. Burgemeester en wethouders waren echter bevoegd om in bijzondere gevallen of om bijzondere redenen voor een aantal kinderen een andere school aan te wijzen, zichzelf op die manier de mogelijkheid verschaffend de leerlingenaantallen op de diverse scholen te kunnen beïnvloeden. Als op een bepaalde school het aantal leerlingen de 40 of 90 te boven dreigde te gaan, werd voor een gedeelte van hen een andere school aangewezen waar het quotum nog niet was bereikt.

Het protest tegen deze regeling was niet van de lucht. Vooral de inwoners van Zeerijp zagen de toekomst van hun school in gevaar komen en schreven een protestbrief, ondertekend door 88 Riepsters, om het gemeentebestuur van gedachten te doen veranderen. De brief is helaas niet in het gemeentearchief bewaard gebleven maar de inhoud kan ongeveer afgeleid worden uit de discussies die erover zijn gevoerd in de gemeenteraad, want ook in de raad was men niet onverdeeld enthousiast over de schoolwijkenverordening. Op de school te Zeerijp waren voor de twee aldaar werkzame leerkrachten iets te veel leerlingen aangemeld zodat een gering gedeelte naar de school te ‘tZandt verplaatst zou worden. Het ook toen al heersende onderwijzerstekort, waardoor gemeenten niet gedwongen konden worden extra onderwijspersoneel aan te stellen, had ervoor gezorgd dat dit voornemen nog niet was uitgevoerd.

In de brief is sprake van een ontoelaatbare beperking van de keuzevrijheid van de ouders van schoolgaande kinderen en wordt voorts veel gezegd over billijkheid en rechtvaardigheid. De 88 inwoners van Zeerijp verzoeken de gemeenteraad de regeling weer in te trekken. In de raadsvergadering van 17 februari 1894 komt de brief ter sprake. Het college van burgemeester en wethouders stellen de raad voor afwijzend op het verzoek te beschikken. Het raadslid Huizinga is het daar geheel niet mee eens. Hij kan niet begrijpen waar het dagelijks bestuur "den treurigen moed haalt" om het protest te negeren. Huizinga denkt dat de verdeling van de gemeente in schoolwijken aanleiding zal geven tot "verbittering" en dat het "beter is ten halve gekeerd, dan ten heele gedwaald".

Burgemeester Westerdijk noemt de ophef over de regeling een storm in een glas water. "Men doet het voorkomen alsof Zeerijp te gronde zal gaan, terwijl de bedoeling van de raad is een paar leerlingen van de school aldaar te nemen". De 88 handtekeningen maken op de burgermeester weinig indruk. "Het is niet moeielijk een aantal handteekeningen op een adres te krijgen, wanneer men hiervan werk wil maken". In een brief aan Gedeputeerde Staten (ook hier waren de Riepster bezwaren heengegaan) legt Westerdijk uit dat 59 van de 88 ondertekenaars geen kinderen op de school hebben. "Twee predikanten, de een bejaard en ongehuwd, de ander op het punt te vertrekken, vervolgens kinderloze renteniers, oude celibatairs, benevens verscheidene dagloners, wier kinderen wegens hunne woonplaats nooit in aanmerking kunnen komen om verplaatst te worden, deze allen hebben het zich ten plicht gerekend of zich laten overhalen om aan de oppositie tegen de schoolwijken deel te nemen, niettegenstaande nog tot geen enkele verplaatsing is besloten".

En daarin had de burgemeester natuurlijk helemaal gelijk. Er was nog helemaal niets aan de hand. De regeling had een preventief karakter en zou alleen worden toegepast indien dat nodig mocht blijken. Het protest maakt dan ook een nogal voorbarige indruk. Een Riepster storm in een glas water. De regeling werd niet ingetrokken.

Comments