Oude verhalen en gebouwen


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


Groninger Archieven heeft iets over 't Zandt van vroeger.



*************************************************************************************

Oude verhalen en gebouwen

  • Piet Kort & Eilko Schuurman Piet Kort en zijn dorpsgenoot Eilko Schuurman waren kameraden en kwamen regelmatig bij elkaar thuis. Beiden moesten in WO II naar Duitsland, maar weigerden dit. Weduwe Schuurman woonde met haar ...
    Geplaatst 23 jan. 2011 12:27 door Fam Drenth
  • Oude 't Zandtsters  Peter (Ewes), geb. in 1660, kerkvoogd te 't Zandt in 1714, ovl. (minstens 70 jaar oud) na 1730, tr. met Bouwke Jacobs, dr. van Jacob Claeassen en Magdalena Alles, ovl ...
    Geplaatst 22 jan. 2011 11:58 door Fam Drenth
  • Zaandtster Handstokken 't Zandt is gebouwd op een zandplaat die al bestond in de tijd dat de dijk op de lijn Godlinze, Schatsborg, Zeerijp als zeewering het achterland tegen het water beschermde ...
    Geplaatst 8 dec. 2010 08:27 door Fam Drenth
  • Kiepkerels 17e, 18e en 19e eeuw In de 17e, 18e en 19e eeuw trokken elk voorjaar duizenden Duitsers bij Groningen de grens over om in Nederland te gaan werken. Ze kwamen ...
    Geplaatst 19 nov. 2010 04:42 door Fam Drenth
  • Zandster Toren 't Zandt Vroeger, toen ‘t Zandt nog niet zo lang bestond waren er al verhalen. Er scheen een vrouw te zijn die vroeger in een toren woonde. Ik zal jullie ...
    Geplaatst 23 feb. 2014 01:16 door Fam Drenth
  • Franse Akte De Franse akte  Toen P. de Graaff, hoofd der school in ’t Zandt, eind 1887 naar Groningen vertrok, werd door de gemeenteraad in zijn vergadering van 24 september van dat ...
    Geplaatst 12 nov. 2010 00:25 door Fam Drenth
  • Armbestuur 't Zandt Waarom het armbestuur van ’t Zandt moest worden uitgebreidIn alle gemeenten waren gedurende de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw zogenaamde burgerlijke armbesturen actief. Het was ...
    Geplaatst 12 nov. 2010 00:23 door Fam Drenth
  • Zeerijp, voormalig 't Zandt Een Riepster storm in een glas waterOp de begrotingen van de negentiende eeuwse gemeentebesturen namen de kosten voor het lager onderwijs een prominente plaats in. De gemeenten moesten zorgen ...
    Geplaatst 10 feb. 2013 04:29 door Fam Drenth
  • De Schout van 't Zandt Wie vermoordde de schout van ‘t Zandt? In de avond van de dertiende april 1820 werd Hindrik Helperi Kimm, schout (burgemeester) van de gemeente ‘t Zandt, vermoord. Een opzienbarende gebeurtenis ...
    Geplaatst 19 nov. 2010 04:29 door Fam Drenth
  • Mariakerk 't Zandt ligt op een zandplaat in de Fivelboezem, die halverwege de 13e eeuw werd ingepolderd (in 1266 was dit werk klaar). Kerk In het derde kwart van de 13e ...
    Geplaatst 11 nov. 2010 07:11 door Fam Drenth
Berichten 1 - 10 van 10 worden weergegeven. Meer bekijken »

Piet Kort & Eilko Schuurman

Geplaatst 23 jan. 2011 12:26 door Fam Drenth

Piet Kort en zijn dorpsgenoot Eilko Schuurman waren kameraden en kwamen regelmatig bij elkaar thuis. Beiden moesten in WO II naar Duitsland, maar weigerden dit. Weduwe Schuurman woonde met haar dochters Lien, Anne en Maaike en zoon Eilko aan de Korendijk (‘t Zandt) , gelegen tussen 't Zandt en Zijldijk. Daar verbleef ook een onderduiker, genaamd Harm Mos uit Holwierde, die tewerkgesteld was in Emden (Duitsland). Harm was na zijn verlof niet teruggekeerd naar Emden, maar ondergedoken bij de weduwe Schuurman. Hij sloot zich aan bij de twee vrienden, die hij kende van vroeger toen de familie Mos en de weduwe Schuurman nog naast elkaar woonden. Piet was thuis waar hij, als de nood aan de man kwam, onder de vloer kon kruipen. Op een dag in mei ‘44 verliet Harm Mos de woning aan de Korendijk en reisde naar Groningen. Op het Zuiderdiep werd hij bij het verlaten van de bus door de landwacht gegrepen en meegenomen. Hij werd voor de keus gesteld, of naar een concentratiekamp of lid worden van de Landstorm Nederland (de Nederlandse afdeling van de SS). Hij koos voor het laatste en als bewijs van zijn loyaliteit zijn door hem diverse personen – waaronder Piet en Eilko - verraden en overgeleverd aan de landwacht. Eerst werd Eilko - op 29 mei 1944 - thuis gearresteerd. Daarna ging men naar het huis van de familie Kort in Zeerijp. Piet was op het moment van zijn arrestatie in de ouderlijke woning, staande aan de weg tussen 't Zandt en Zeerijp. Wel kroop hij onder de vloer maar Mos kende die schuilplaats aangezien hij ook regelmatig bij de familie Kort te gast was geweest. Piet en Eilko werden via Middelstum en Groningen, overgebracht naar kamp Amersfoort en vandaar in juni naar Wangeroog getransporteerd.  Op 25 april 1945 is dit eiland door de Engelsen zwaar gebombardeerd. Daarbij zijn beiden omgekomen. Pieter’s naam staat vermeld op een gedenksteen op het Nederlands ereveld te Osnabrück en op het gedenkteken op het kerkplein in ‘t Zandt

(meegedeeld door dhr P.Kort aan hwa, december 2010).

 

 

Oude 't Zandtsters

Geplaatst 22 jan. 2011 11:56 door Fam Drenth

 Peter (Ewes), geb. in 1660, kerkvoogd te 't Zandt in 1714, ovl. (minstens 70 jaar oud) na 1730, tr. met Bouwke Jacobs, dr. van Jacob Claeassen en Magdalena Alles, ovl. na 23 jun 1718 (do). Uit dit huwelijk 2 dochters.

 

VERHAAL BIJ Peter Eeuwes (Ewes)
Waterstaatzaken
Peter Ewes vertegenwoordigt zijn moeder Maycke Alles van Jacobusmaheerd in 1684 in waterstaatszaken. Volgens dezelfde bron wordt op 5 november 1683 een Peter Eewes als zijlrechter beedigd. Mogelijk is dit de nog zeer jeugdige, Peter, of gaat her hierbij toch om een oudere naamgenoot? (Arch. Zijlvestenijen en Dijkrechten, Gen. Zijlvest der Drie Delfzijlen, inv.nr.105/I).

In het register van landdagcomparanten voor Fivelingo vertoont Pieter Ewes een verzegelde aankomst- of scheidbrief van 30 grazen met behuizing d.d. 17 mei 1695; helaas is hierbij geen plaatsnaam genoemd. (O.A, inv.nr. 738, Landdagcomparanten Fivelingo, fol. 28, 12-12-1695). Vijftien jaar later echter liet hij dezelfde scheidbrief opnieuw registreren 'waar mede verdediget sijne behuisinge staende op eigen gront met 30 grasen op 't Zandt gelegen' tezamen met ' een verseg. koopbrief in dato 5 februari 1710 waar mede verdediget 30 grasen op landt op 't Zandt in desselfs plaets gelegen' (Ibid, fol. 45, 20-2-1710).

In het schatregister voor de verponding over 1721 is Peter Ewens eigenaar/ gebruiker van 61 1/2 grazen land, en daarnaast gebruiker van 42 3/4 gras stadland (S.A, inv.nr. 2146/708). Een grote boerderij dus. Hij wordt dan ook namens 't Zandt genoemd over de jaren 1710-1723 inzake de zeendheren der zeven kerspelen. (Arch. N.H. Gem. Loppersum, inv.nr. 1, 1599-1824.

In de Nederlandsche Leeuw 97 (1980) k. 12 wordt Peter Ewes ten onrechte een zoon genoemd van Popko Ewens en Grietien Bronnens; in werkelijkheid is hij hun kleinzoon). Ook op het kohier van taxatiegeld 1730/1731 wordt onder 't Zandt nog steeds vermeld Pieter Eeuwes (S.A, inv.nr. 2217). Mogelijk is dit de boerderij 't Zandt no. 33, Lissebon- of Eernstheerd. Hiervan zijn later de eigenaar voor de ene helft pastor Metelerkamp, voor de andere helft de kinderen van P. Groenou. Dit verwijst terug naar de nagelaten betrekkingen van resp. Magdalena en Maeicke Ewens, blijkbaar zusters, en tevens dochters van Peter Ewens. Uit het feit dat geen nazaten van een veronderstelde zoon Focke Eeuwes mede-eigenaar zal zijn, kan men opmaken dat de latere Focke Eeuwes te 't Zandt/Westeremden in elk geval geen zoon van Peter geweest zijn (P.J.C. Elema).De kerk van 'tZand

Peter Ewes, kerkvoogd te 't Zandt
Peter Ewes is kerkvoogd te 't Zandt volgens een gedenksteen in de in 1714 gerepareerde toren, samen met Frikko Reinders, hoveling op Ompta (GDW 4345). Zijn wapen is volgens deze bron gevierendeeld:

I. Op een terras een omgewend paaslam,

II. Een dubbele adelaar met borstschild, beladen met drie rozen (Itens),

III. Twee tegen elkaar klimmende halve leeuwen

IV. Elema. De combinatie Elema en Itens zal afkomstig kunnen zijn van Focke Ewens, overleden Leermens 6 maart 1603. Omstreeks die datum trouwt hij met met Enneke Itens, dochter van Reneko Itens en Frouwke Waalckens Elama (Zie Familieboek Elema. p. 30). Nog in 1718 vervult hij de zelfde functie: in dat jaar namelijk lenen Jan Lammerts en Cornelia Zant f700 van Pieter Euwes kerckvoogt op 't Zandt en Bouwke Jacobs (G.A.G, R.A. III + 96, fol. 137v, 23-6-1718, gereg. 9-3-1719). Dit is tot dusver de enige vermelding van de naam van zijn echtgenote: gezien de veronderstellingen dat zij een kind is van Magdalena Alles en Jacob Claessen, moet zij tevens een moeder van de genoemde kinderen zijn, althans Maike Euwes heeft een dochter Bouwina Groenouw
.

Zaandtster Handstokken

Geplaatst 19 nov. 2010 05:01 door Fam Drenth   [ 8 dec. 2010 08:27 bijgewerkt ]

't Zandt is gebouwd op een zandplaat die al bestond in de tijd dat de dijk op de lijn Godlinze, Schatsborg, Zeerijp als zeewering het achterland tegen het water beschermde. In die tijd liepen wadlopers al van de dijk naar de zandplaat en terug. Ze droegen stokken om de prielen makkelijker over te steken. Later hadden de wadlopers mooie wandelstokken. Vandaar de naam van de inwoners van 't Zandt " 't Zandtster Handstokken".

De handstok zit nu nog verweven in de Zandtster Vlag

Kiepkerels

Geplaatst 19 nov. 2010 04:41 door Fam Drenth

Kiepkerels 17e, 18e en 19e eeuw

In de 17e, 18e en 19e eeuw trokken elk voorjaar duizenden Duitsers bij Groningen de grens over om in Nederland te gaan werken. Ze kwamen uit een gebied vlak over de grens (Westfalen, Munsterland en Teutoburgerwoud) dat minder welvarend was dan ons land. Hun motto was: “War in der Heimat bittere Not, in Holland gabts Verdienst und Brot”. Ze werkten als “hannekemaaiers” (grasmaaiers) bij Groninger en Friese boeren of trokken als “kiepkerels” (marskramers) langs de dorpen.

Kiepkerels werden zo genoemd naar de “kiep” (mars of mand) vol koopwaar die ze op de rug met zich meedroegen. Meestal bestond hun handel uit lapjes, stoffen en kleding die ze ‘s winters thuis hadden vervaardigd of elders op de kop hadden getikt. Daarom werden ze ook wel hozeveling of hozeveelnk genoemd (hozen zijn sokken of kousen, veelnk verwijst naar de streek van herkomst: Westfalen).

Velen ontpopten zich als handige handelaren die na verloop van tijd naast stoffen ook allerlei huishoudelijke artikelen, gereedschappen en andere gebruiksvoorwerpen meebrachten, bijvoorbeeld verkregen als ruil voor hun oorspronkelijke koopwaar. Eind negentiende eeuw werd Westfalen welvarender. De trekarbeid werd minder noodzakelijk en door een maatregel van Bismarck zelfs onaantrekkelijk. Vele kiepkerels vestigden zich in Nederland.

Herinneringen aan de kiepkerels
Sommige marskramers was het zo voor de wind gegaan dat ze de basis hadden gelegd voor grote firma’s, zoals bijvoorbeeld Peek & Cloppenburg, C & A Brenninkmeijer. Vroom & Dreesmann, en -tot 1983- Tricotage Schmidt in Wildervank.

In 1949 schreef Herman Scholtens, toen burgemeester van Oude Pekela, ter gelegenheid van het 350-jarig bestaan van Oude Pekela het lied De Kiepkerel. Het werd gezongen in een revue door de bekende Pekelder George Petzinger. Hij voerde een ‘lapjeskoopman’ uit Westfalen ten tonele die al zingend zijn koopwaar voor de koopsters de revue laat passeren. In 1980 zette Petzinger het lied als een nummer op de plaat De Zwagers.

Bovendien staat er sinds 30 juni 1986 een beeld van de kiepkerel bij het gemeentehuis van Oude Pekela, vervaardigd door de Groninger kunstenaar Hans Mes. Tot slot houdt het Veenkoloniaal Museum de herinnering aan de kiepkerel levend.

Zandster Toren

Geplaatst 19 nov. 2010 04:22 door Fam Drenth   [ 23 feb. 2014 01:16 bijgewerkt ]

't Zandt


Vroeger, toen ‘t Zandt nog niet zo lang bestond waren er al verhalen. Er scheen een vrouw te zijn die vroeger in een toren woonde. Ik zal jullie haar verhaal vertellen.


Een trotse en toegewijde vader was hij. Mijn vader stond altijd voor mij klaar. Als kind al hadden de goden mij al prachtig gemaakt. Ze schonken mij prachtige blonde haren een lieve lach en alle jongens lagen aan mijn voeten. Mijn vader was dan wel toegewijd, maar eigenlijk wel een beetje te veel. Hij wou mij niet met anderen delen. Maar naarmate ik volwassen werd en nog mooier dan daarvoor, werd ik verliefd. Het was een simpele man, een schapenhoeder. Maar hij was zachtaardig en ik voelde me altijd veilig en op mijn gemak bij hem. Hij vroeg mijn vader om mijn hand. Maar mijn vader weigerde. Hij verbood mij om mijn geliefde ooit nog te zien. Tegen mijn vaders wil in ging ik toch.
Firenze mijn geliefde, wachtte op mij in een grot. Een plaats waar je alleen kon komen als je wist waar het was. Het was vlakbij de plaats waar zijn kudde altijd graasde. Hij had het ontdekt toen een van zijn schapen was weggelopen. Daar brachten we veel tijd door. We waren gelukkig zolang we samen waren.
Op een dag toen ik naar de grot ging waar Firenze en ik hadden afgesproken, ben ik gevolgd. Mijn vader werd ingelicht over dat Firenze en ik elkaar nog zagen. Over wat we daar deden, en dat we verliefd waren. Mijn vader was woedend.
Hij liet een toren bouwen speciaal voor mij. Zodat de hele wereld alleen nog maar naar mij zou kunnen kijken. Zodat hij zeker wist dat ik nog van hem was. Firenze kon op die manier niet bij me komen. Althans, dat dacht hij. Op een nacht hoorde ik ineens mijn mobiel gaan. Ik nam op en tot mijn geluk had ik Firenze aan de lijn! Hij zei dat hij naar mij toe zou komen al was het het laatste wat hij zou doen. Met een ladder klom hij snel naar boven.
De volgende ochtend kwam mijn vader mij eten brengen. Hij zag dat Firenze boven was bij mij. Mijn vader was woest en schreeuwde dat ik niet langer zijn dochter was. Hij haalde olie een gooide het over de onderkant van de houten toren. Daarna zei hij dat we nog 1 kans hadden: Firenze moest naar beneden komen. En hij zou Firenze dood schieten en ik zou gespaard blijven. Gelukkig wist ik Firenze te overtuigen om niet naar beneden te gaan. Want zonder hem had mijn leven toch geen zin meer.
Mijn vader beneden brulde woest toen wij ons besluit vertelde. Hij stak de toren in brand.

Nu nog wordt er brand gesticht als er op diezelfde plaats gebouwd wordt, maar niemand weet door wie.





Gemaakt door: Eline Veeneman

Franse Akte

Geplaatst 12 nov. 2010 00:24 door Fam Drenth

De Franse akte 

Toen P. de Graaff, hoofd der school in ’t Zandt, eind 1887 naar Groningen vertrok, werd door de gemeenteraad in zijn vergadering van 24 september van dat jaar besloten dat de nieuw te benoemen hoofdonderwijzer niet in het bezit behoefde te zijn van een akte voor het geven van onderwijs in de Franse taal. Daar waren goede redenen voor. In de eerste plaats had zich in het afgelopen jaar niemand aangemeld voor de Franse lessen ondanks dat daartoe door burgemeester en wethouders tweemaal een oproep was gedaan. Daarnaast was een onderwijzer met Franse akte duurder. Voor een jaarwedde van f 850 gulden, een hoger bedrag liet de begroting nu eenmaal niet toe, zouden zich zeer waarschijnlijk geen sollicitanten met Franse akte aanmelden. Bovendien werd de openbare lagere school in ’t Zandt in hoofdzaak bezocht door kinderen uit de arbeidende stand, zodat het nut van Franse lessen zeer twijfelachtig was.

Tot zover is er geen vuiltje aan de lucht. Er wordt een oproep voor sollicitanten opgesteld die, zoals de procedures voorschrijven, ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de districtsschoolopziener te Groningen, de welbekende en zeer hooggeachte edelgestrenge Jhr. Mr. W.C.A. Alberda van Ekenstein.

In zijn brief van 26 september 1887 laat de jonkheer de gemeente weten bezwaar te maken tegen het besluit van de raad om de Franse akte niet meer als vereiste te stellen bij het oproepen van sollicitanten. Hij geeft de raad in overweging op dit besluit terug te komen.

Al op 4 oktober schrijft de gemeente een brief terug. De raad laat weten dat “geen termen zijn gevonden” om op het eenmaal genomen besluit terug te komen. De door de schoolopziener aangevoerde bezwaren acht de raad “zeer goed wederlegbaar”. Het argument van Alberda dat voor een dergelijk raadsbesluit goedkeuring nodig is van Gedeputeerde Staten, is volgens de gemeente nergens bepaald voorgeschreven. De gemeente wijst de schoolopziener nog eens op de hogere kosten van een hoofd der school met Franse akte. Het is misschien mogelijk sollicitanten te krijgen op een jaarwedde van f 850 gulden, maar de keuze zou zeer beperkt zijn. Bovendien zou een leerkracht met Franse akte zo spoedig mogelijk proberen een betere betrekking te krijgen, zoals ook met het vertrek van de heer De Graaff gebleken is. De jaarwedde op f 1000 gulden brengen, laat de gemeentebegroting “bij de vele uitgaven die het onderwijs reeds vergt” niet toe, terwijl een gedurige verandering van het onderwijzend personeel nadelig werkt op het onderwijs. Ten slotte wordt de geringe behoefte aan Franse lessen in de gemeente ’t Zandt nog eens onder de aandacht gebracht, waarna de gemeenteraad op grond van al het voorgaande de vrijheid neemt de conceptadvertentie ongewijzigd aan de heer districtsschoolopziener terug te zenden.

Veel schot zit er niet in de zaak en eind december is er nog steeds geen nieuw schoolhoofd benoemd, sterker nog, de oproep voor sollicitanten is nog steeds niet goedgekeurd en die goedkeuring is verder weg dan ooit. Bij onze edelgestrenge heer schoolopziener is een verzoekschrift ingekomen van zeventien ingezetenen van de gemeente ‘t Zandt waarin de wenselijkheid wordt uitgesproken dat de Franse taal aan de openbare lagere school wordt onderwezen. In zijn brief van 27 december betoogt Alberda dat het aanstellen van een hoofd der school zonder Franse akte tegen het financieel belang der gemeente is omdat dan, om aan de wens van de ingezetenen tegemoet te komen, later alsnog een afzonderlijk onderwijzer voor de Franse taal aangesteld zou moeten worden. Volgens Alberda wordt hij in zijn mening gesteund door de plaatselijke commissie van toezicht op het lager onderwijs in de gemeente ’t Zandt.

Ook Gedeputeerde Staten bemoeien zich er inmiddels mee. Zij zijn door de heer Alberda op de hoogte gebracht en geven de gemeente in overweging zich te voegen naar de wensen van de schoolopziener en, mocht die bereidheid er niet zijn, dan ik elk geval na te gaan hoeveel kinderen aan eventueel te geven onderwijs in de Franse taal zullen deelnemen.

Het antwoord van de gemeente maakt een strijdbare indruk. Van een verzoekschrift om het Frans te handhaven is bij raad of college niets bekend. Wel kwam er een verzoekschrift van ingezetenen van ’t Zandt die erop aandringen de Franse akte niet langer als vereiste te stellen. Dit verzoekschrift ligt inderdaad in het gemeentearchief. De veertien ondergetekenden hebben vernomen “dat deze zaak om nietigheden noodelooze vertragingen ondervindt”, en ze begrijpen niet waarom de schoolopziener “zoo krampachtig vasthoudt aan het stellen der fransche acte als vereischte.”

Uit het op verzoek van Gedeputeerde Staten ingesteld onderzoek naar de behoefte aan Franse lessen blijkt dat uit de gehele gemeente “slechts een elftal kinderen” hiervoor zouden worden opgegeven, waarvan er vijf of zes nog veel te jong zijn om te worden toegelaten terwijl bij het overige zestal nog kinderen zijn “wier stand in de maatschappij nimmer zal meebrengen dat zij eenig nut van ’t geleerde zullen hebben”, zodat het volgens de gemeente duidelijk is dat in ’t Zandt in het algemeen geen behoefte aan Franse lessen bestaat.

Het is natuurlijk allang een principiële kwestie geworden waarbij de gemeente het idee heeft dat zijn autonomie in het geding is. De zaak sleept zich nog enige tijd voort tot uiteindelijk de tussenkomst van de Minister van Binnenlandse zaken wordt ingeroepen. Deze is van oordeel dat een raadsbesluit tot uitbreiding of inkrimping van het onderwijs de goedkeuring van Gedeputeerde Staten behoeft zodat de gemeente niets anders rest dan zijn besluit tot weglating van de Franse akte aan GS voor te leggen die vervolgens op 8 juni 1888 laten weten dit besluit niet goed te keuren. In de raadsvergadering van 15 juni wordt met zeven tegen vier stemmen besloten niet bij de Koning in beroep te gaan en te berusten in de beslissing van het provinciebestuur. Op 27 augustus 1888, de vacature heeft dan 8 maanden opengestaan, wordt de heer J. Noordewier, onderwijzer te Scheemda, benoemd tot hoofdonderwijzer van de openbare lagere school in ’t Zandt. Of de heer Noordewier in het bezit is van de Franse akte, vertellen de stukken niet.

Armbestuur 't Zandt

Geplaatst 12 nov. 2010 00:19 door Fam Drenth

Waarom het armbestuur van ’t Zandt moest worden uitgebreid

In alle gemeenten waren gedurende de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw zogenaamde burgerlijke armbesturen actief. Het was de taak van deze instellingen in samenwerking met de kerkelijke diaconieën te voorkomen dat de armen en behoeftigen van de honger zouden omkomen of, nog erger, door de armoede gedwongen uit stelen zouden gaan. De leden van de burgerlijke armbesturen werden benoemd en ontslagen door de gemeenteraden.

Het burgerlijk armbestuur in de gemeente ’t Zandt bestaat tegen het einde van de 19de eeuw uit de leden Pieter Nieborg uit ’t Zandt, Ties Dijk uit Zijldijk en Pieter Burema uit Leermens. In tegenstelling tot veel andere armbesturen zijn de notulen van het armbestuur van ’t Zandt voor een groot gedeelte bewaard gebleven zodat we precies kunnen nagaan wat er in de vergaderingen wordt besloten. Op 23 februari 1894 wordt een drukke agenda afgewerkt. Zo worden aan de weduwe Tobbe 200 turven verstrekt, krijgt de weduwe van Dijk drie el Egyptisch bever (wat dat ook moge zijn) en krijgt Alje Doorn te Kolhol een brood en 50 cent per week. Aan de weduwe Bulthuis wordt een stel klompen verstrekt en het lid Burema krijgt de opdracht te onderzoeken of zij misschien ook een rok en een wollen schort nodig heeft en zo ja, deze aan te schaffen. Het verzoek van de weduwe van der Heen om 200 turven wordt afgewezen. De weduwe Bakker te Zijldijk krijgt een halve brood per week “doch geen gort”. Het moet niet te gek worden natuurlijk.

Zo gaat dat vergadering na vergadering, jaar in, jaar uit. De armenzorg in de gemeente ’t Zandt lijkt uitstekend geregeld. De organisatie loopt gesmeerd en de behoeftigen worden op hun wenken bediend. Geen vuiltje aan de lucht, zou je denken.

Toch is niet iedereen tevreden. Op 1 maart 1900 komt ontvangt de gemeenteraad een schrijven van het “Centraal Bestuur van de kiesverenigingen Zeerijp-Eenum en Leermens-Oosterwijtwerd”, waarin wordt betoogd “dat een goede armenverzorging voor eene gemeente van het hoogste belang is; dat een armbestuur van drie leden in eene gemeente als ’t Zandt, met den besten wil en hoe ijverig ook, nooit volkomen goed de geleden ellende kan kennen; dat dientengevolge menigmaal klachten over de armenverzorging worden vernomen; weshalve adressanten zich tot u richten met het beleefd doch dringend verzoek om een armbestuur te benoemen, bestaande uit zes personen, en wel zóódanig gekozen, dat ook de zes dorpen der gemeente hierin vertegenwoordigd zijn”.

Het verzoek is duidelijk, de indieners van het verzoek blijven enigszins gehuld in nevelen. Kiesverenigingen waren in vele dorpen en steden actief. Het waren clubs van politiek gelijkgezinden die probeerden invloed uit te oefenen bijvoorbeeld door het voordragen van personen voor een plek in de gemeenteraad, de provinciale staten of de Tweede Kamer. Ze kunnen beschouwd worden als de voorlopers van de politieke partijen. Van sommige kiesverenigingen is het archief bewaard gebleven, van de kiesverenigingen Zeerijp-Eenum en Leermens-Oosterwijtwerd is dat, voor zover mij bekend, niet het geval, zodat we omtrent oprichting, leden of politieke kleur in het ongewisse blijven. Uit de brief kunnen we slechts opmaken dat men zich kennelijk het lot van de behoeftige klasse aantrekt. Voor aanvullende informatie hou ik mij uiteraard van harte aanbevolen.

Bovengenoemde brief is slechts in afschrift bewaard gebleven in de notulen van de gemeenteraad van 23 maart 1900 en hieruit blijkt dat de brief was ondertekend door de heer N.E. Smit, voorzitter en negen anderen. Volgens het bevolkingsregister van ’t Zandt hebben we hier zeer vermoedelijk te maken met Nanko Eltje Smit, landbouwer te Oosterwijtwerd. De negen anderen blijven onbekend.

Hoe dan ook, de raad besluit de brief in handen te stellen van het Burgerlijk Armbestuur om advies. In de raadsvergadering van 19 april komt de zaak opnieuw aan de orde. Het Burgerlijk Armbestuur heeft laten weten dat het “zich van advies wenscht te onthouden”. Wel is er nog een brief ingekomen van de Werklieden Vereeniging Eendracht waarin het verzoek van de kiesverenigingen wordt ondersteund en waarin de hoop wordt uitgesproken “dat daarop een gunstige beschikking moge vallen”.

Burgemeester Venhuizen is tegen inwilliging van het verzoek dat volgens hem zijn grond vindt in wantrouwen tegenover het armbestuur. “Er wordt beweerd dat de armverzorging te wenschen overlaat”. Inwilliging van het verzoek zou “ten opzichte van het armbestuur gevolgen hebben die de zaak meer kwaad dan goed zal doen”. Mocht het verzoek toch worden ingewilligd dan zou de burgemeester, die beseft dat hij in deze aangelegenheid geen medestanders heeft, er prijs op stellen dat nadrukkelijk werd vermeld dat de raad “de handelingen van het armbestuur geenszins partijdig vindt, doch die handelingen ten zeerste op prijs stelt”.

Het raadslid Huizinga is het volledig met de burgemeester eens. Hij is voor uitbreiding maar in het te nemen raadsbesluit moeten “de ijver, de toewijding en de onpartijdigheid welke het armbestuur heeft getoond” met nadruk worden genoemd. Een voorstel van die strekking wordt vervolgens met algemene stemmen aangenomen.

Het Burgerlijk Armbestuur van de gemeente ’t Zandt bestaat sindsdien uit zes personen zodat elk dorp vertegenwoordigd is. Voor ’t Zandt wordt benoemd de heer P. Offringa, voor Zijldijk de heer J. van den Berg, de heer P. Huizinga wordt benoemd voor Zeerijp, voor Leermens de heer P.T. Burema, voor Eenum de heer E. Mulder en ten slotte voor Oosterwijtwerd iemand die we al eerder waren tegengekomen, de heer N. Smit, tevens voorzitter van het centraal bestuur van de kiesverenigingen Zeerijp-Eenum en Leermens-Oosterwijtwerd. Of de behoeftigen nu in het vervolg beter af zijn, zou ik niet durven zeggen.

Zeerijp, voormalig 't Zandt

Geplaatst 12 nov. 2010 00:17 door Fam Drenth   [ 10 feb. 2013 04:29 bijgewerkt ]

Een Riepster storm in een glas water

Op de begrotingen van de negentiende eeuwse gemeentebesturen namen de kosten voor het lager onderwijs een prominente plaats in. De gemeenten moesten zorgen voor goede schoolgebouwen en voor voldoende onderwijzers. In de gemeente ‘tZandt waren deze kosten extra hoog omdat daar op een relatief klein aantal inwoners een groot aantal openbare lagere scholen aanwezig was. Zes stuks maar liefst, die allemaal ingericht, schoongemaakt en onderhouden moesten worden. In totaal waren er veertien onderwijzers in dienst waarvan zes extra dure hoofdonderwijzers. Ter vergelijking: in de gemeente Uithuizen, zeker niet kleiner dan ‘tZandt, waren slechts twee scholen en in een vergelijkbare gemeente als Usquert zelfs maar één.

De Wet op het lager onderwijs van 1878, die de bedoeling had alle kinderen tot deugdzame burgers op te voeden, stelde allerlei eisen aan het onderwijs. Zo was er een maximum gesteld aan het aantal leerlingen dat door één onderwijzer onderwezen mocht worden. Kwam dat aantal op een bepaalde school boven de 40, dan moest een tweede onderwijzer worden aangesteld en bij meer dan 90 leerlingen was een derde onderwijzer verplicht. Het probleem waar veel gemeenten mee te maken hadden was dat de leerlingenaantallen op veel scholen nogal fluctueerden. Het ene seizoen waren er meer leerlingen dan het andere seizoen zodat de kans bestond dat onderwijzers die, volgens de wet, verplicht waren aangesteld, in het daaropvolgende seizoen overbodig waren geworden. In veel scholen liepen zodoende meer onderwijzers rond dan door de wet vereist werden, wat natuurlijk de nodige kosten met zich meebracht.

In een gemeente als ‘tZandt met een relatief groot aantal kleine schooltjes was het risico van het ontstaan van een dergelijke ongewenste situatie extra groot. Vooral de scholen te Eenum, Zijldijk en Zeerijp, waar de aantallen voortdurend schommelden rond de 40 (Eenum) of 90 leerlingen, verkeerden voortdurend in de gevarenzone. De gemeenteraad zon dan ook op maatregelen om hier iets aan te doen en stelde op 21 december 1893 een verordening vast waarbij de gemeente in zogenaamde schoolwijken werd verdeeld. De regeling hield in dat ouders en voogden verplicht waren hun kinderen naar de school te sturen van het dorp waartoe hun woning behoorde. Burgemeester en wethouders waren echter bevoegd om in bijzondere gevallen of om bijzondere redenen voor een aantal kinderen een andere school aan te wijzen, zichzelf op die manier de mogelijkheid verschaffend de leerlingenaantallen op de diverse scholen te kunnen beïnvloeden. Als op een bepaalde school het aantal leerlingen de 40 of 90 te boven dreigde te gaan, werd voor een gedeelte van hen een andere school aangewezen waar het quotum nog niet was bereikt.

Het protest tegen deze regeling was niet van de lucht. Vooral de inwoners van Zeerijp zagen de toekomst van hun school in gevaar komen en schreven een protestbrief, ondertekend door 88 Riepsters, om het gemeentebestuur van gedachten te doen veranderen. De brief is helaas niet in het gemeentearchief bewaard gebleven maar de inhoud kan ongeveer afgeleid worden uit de discussies die erover zijn gevoerd in de gemeenteraad, want ook in de raad was men niet onverdeeld enthousiast over de schoolwijkenverordening. Op de school te Zeerijp waren voor de twee aldaar werkzame leerkrachten iets te veel leerlingen aangemeld zodat een gering gedeelte naar de school te ‘tZandt verplaatst zou worden. Het ook toen al heersende onderwijzerstekort, waardoor gemeenten niet gedwongen konden worden extra onderwijspersoneel aan te stellen, had ervoor gezorgd dat dit voornemen nog niet was uitgevoerd.

In de brief is sprake van een ontoelaatbare beperking van de keuzevrijheid van de ouders van schoolgaande kinderen en wordt voorts veel gezegd over billijkheid en rechtvaardigheid. De 88 inwoners van Zeerijp verzoeken de gemeenteraad de regeling weer in te trekken. In de raadsvergadering van 17 februari 1894 komt de brief ter sprake. Het college van burgemeester en wethouders stellen de raad voor afwijzend op het verzoek te beschikken. Het raadslid Huizinga is het daar geheel niet mee eens. Hij kan niet begrijpen waar het dagelijks bestuur "den treurigen moed haalt" om het protest te negeren. Huizinga denkt dat de verdeling van de gemeente in schoolwijken aanleiding zal geven tot "verbittering" en dat het "beter is ten halve gekeerd, dan ten heele gedwaald".

Burgemeester Westerdijk noemt de ophef over de regeling een storm in een glas water. "Men doet het voorkomen alsof Zeerijp te gronde zal gaan, terwijl de bedoeling van de raad is een paar leerlingen van de school aldaar te nemen". De 88 handtekeningen maken op de burgermeester weinig indruk. "Het is niet moeielijk een aantal handteekeningen op een adres te krijgen, wanneer men hiervan werk wil maken". In een brief aan Gedeputeerde Staten (ook hier waren de Riepster bezwaren heengegaan) legt Westerdijk uit dat 59 van de 88 ondertekenaars geen kinderen op de school hebben. "Twee predikanten, de een bejaard en ongehuwd, de ander op het punt te vertrekken, vervolgens kinderloze renteniers, oude celibatairs, benevens verscheidene dagloners, wier kinderen wegens hunne woonplaats nooit in aanmerking kunnen komen om verplaatst te worden, deze allen hebben het zich ten plicht gerekend of zich laten overhalen om aan de oppositie tegen de schoolwijken deel te nemen, niettegenstaande nog tot geen enkele verplaatsing is besloten".

En daarin had de burgemeester natuurlijk helemaal gelijk. Er was nog helemaal niets aan de hand. De regeling had een preventief karakter en zou alleen worden toegepast indien dat nodig mocht blijken. Het protest maakt dan ook een nogal voorbarige indruk. Een Riepster storm in een glas water. De regeling werd niet ingetrokken.

De Schout van 't Zandt

Geplaatst 11 nov. 2010 18:16 door Fam Drenth   [ 19 nov. 2010 04:29 bijgewerkt ]

Wie vermoordde de schout van ‘t Zandt?

 

In de avond van de dertiende april 1820 werd Hindrik Helperi Kimm, schout (burgemeester) van de gemeente ‘t Zandt, vermoord. Een opzienbarende gebeurtenis, er wordt immers niet iedere dag een burgemeester vermoord, en toen ik het verhaal bij toeval tegenkwam (in het archief van de gemeente Stedum vond ik een publicatie van de procureur-generaal van het hooggerechtshof in Den Haag waarin hij 300 gulden uitlooft aan degene die de dader kan aanwijzen) was mijn eerste gedachte dan ook dat het een bekende geschiedenis zou moeten zijn. Dit viel echter tegen. Alleen in het boerderijenboek van ’t Zandt wordt heel kort naar de moord verwezen.

 

Ook de schaarse archiefstukken van de gemeente ‘t Zandt uit deze periode geven geen uitsluitsel over de ware toedracht. Alleen in het overlijdensregister zijn sporen van de gebeurtenis terug te vinden. Op 15 april wordt Kimm ingeschreven in het overlijdensregister. De aangifte wordt gedaan door Elibertus Warmolts, de plaatselijke predikant, en Jan Albertus Cleveringa, landbouwer te Leermens en tevens gemeenteraadslid. De overlijdensakte vermeldt dat Kimm is overleden in het land bij het huis nummer 86 op ‘t Zandt.

 

In ‘t Zandt is het verhaal bij enkelen nog bekend. De heer J. Huizenga aldaar deed mij het verhaal toekomen zoals dat rond 1930 werd verteld door enige oude inwoners van ’t Zandt die het in hun jeugd rechtstreeks hadden gehoord van hun ouders, tijdgenoten van Kimm.

Hindrik Helperi Kimm (zijn naam wordt in sommige bronnen ook met één m geschreven) was landbouwer van beroep en woonde op ‘t Zandt. Hij wordt op 11 (of 14) februari 1773 geboren in Hellum als zoon van Marten Kimm en Clara Kuen. Hij trouwt op 23 november 1799 met Anje Derks Smit in Hellum en in hetzelfde jaar vertrekken ze naar ’t Zandt. Ze krijgen zes kinderen waarvan er twee in leven blijven. Anje Derks overlijdt in april 1813 en op 22 juni 1814 hertrouwt Kimm met Martjen Rengers met wie hij drie kinderen krijgt. In hetzelfde jaar 1814 wordt hij benoemd tot schout (zoals de burgemeester in die dagen werd genoemd) van de gemeente ‘t Zandt. De combinatie landbouwer/schout (of burgemeester) was in die dagen in de provincie Groningen zeer gebruikelijk.

 

Kimms landbouwbedrijf van ongeveer 30 ha. groot stond aan de Omtadaweg. (tegenwoordig nr. 4) Ruim de helft van zijn bedrijf lag ten noorden van het Zandtster maar en om daar te komen beschikte hij over een particuliere til tegenover zijn huis.

 

Op donderdag 13 april 1820 kreeg Kimm een heftige ruzie met een groep werklieden die bezig was met het hergraven van het maar. Waar de ruzie over ging is niet bekend. Of het een particuliere aangelegenheid was of dat hij er in zijn hoedanigheid als schout bij betrokken was, het is niet meer te achterhalen.

 

Die avond was Kimm aanwezig bij een raadsvergadering. Het verslag van deze vergadering is in het archief van de gemeente bewaard gebleven. Er stond slechts één punt op de agenda: de benoeming van de uit Appingedam afkomstige H.J. van der Werf tot gemeenteontvanger.

 

Na afloop van de vergadering bood de veldwachter aan Kimm naar huis te begeleiden. Deze had kennelijk vernomen van het conflict met de maargravers en wilde het zekere voor het onzekere nemen. Kimm sloeg het aanbod af. Hij had een best mes bij zich om zich eventueel te kunnen verdedigen en vond politiebegeleiding niet nodig.

 

Kimm liep door de Oosterstraat en over het pad naar het balkje over het maar. Bebouwing was hier in die tijd nog schaars. In het land achter zijn huis werd hij opgewacht door de maargravers. De ruzie werd voortgezet en burgemeester Kimm is met het hoofd naar beneden in de moddersloot terechtgekomen. Deze val heeft hij niet overleefd. De volgende ochtend werd hij gevonden met de benen omhoog.

 

De dader of daders zijn nooit gevonden. Bij het hergraven van het maar was waarschijnlijk een groot aantal werklieden betrokken en kennelijk was het niet mogelijk uit deze groep de schuldigen aan te wijzen. Veel vragen rond deze moord blijven daardoor onbeantwoord: wat was de oorzaak van het conflict, hebben de maargravers Kimm bewust opgewacht of kwamen ze hem toevallig tegen, was het moord met voorbedachte rade of belandde Kimm min of meer per ongeluk in de moddersloot?

 

In het gemeentehuis van Loppersum wordt nog steeds de sabel van burgemeester Kimm bewaard, een sabel die hij op die noodlottige avond niet bij zich droeg. Wellicht was het dan anders gelopen.

 

(Dit artikel kwam tot stand met behulp van gegevens van de heer J. Huizenga te ’t Zandt en mevrouw A.J. Evers-Kalk te Eenrum)

Mariakerk

Geplaatst 11 nov. 2010 07:10 door Fam Drenth

't Zandt ligt op een zandplaat in de Fivelboezem, die halverwege de 13e eeuw werd ingepolderd (in 1266 was dit werk klaar).

Kerk

In het derde kwart van de 13e eeuw werd een aanvang gemaakt met de bouw van de kerk, die aan Maria was gewijd (haar naam staat onder het meest oostelijke raam van het koor). Het schip van de kerk heeft vier traveeën en is nog in de oude staat. Het oude deel is gebouwd in romanogotische stijl en werd oorspronkelijk afgesloten met een halfronde absis. Daarbij diende de vierde travee als koor. In de 15e eeuw werd de absis door een hooggotisch koor met een driezijdige sluiting vervangen, zodat de kerk zijn huidige langgerekte vorm kreeg.

Tussen het oorspronkelijke schip en het koor (tussen de derde en vierde romanogotische travee) bevindt zich een triomfboog. Er zijn meerdere verklaringen voor deze naam:

  1. de boog scheidt de strijdende kerk (het lekenschip) van de triomferende kerk (het priesterkoor als weergave van de hemelse sfeer);
  2. de boog geeft de richting van Jeruzalem (het oosten) aan, waar Christus triomfeerde.

De variatie aan siermetselwerk van deze kerk, met aan de buitenzijde de rond- of spitsbogige spaarvelden onder en de vensters met blindnissen boven is uniek in Groningen. Bijzonder is de plaatsing van de ramen. In de eerste (westelijke) travee één raam, in de tweede travee twee ramen, in de derde travee één raam aan de zuidzijde, in de vierde travee één raam aan de noordzijde. Aan de binnenzijde gaf dit de mogelijkheid tot het aanbrengen van schilderingen, òf, zoals in de negentiende eeuw het plaatsen van een kansel met klankbord. Twee lage ramen accentueren de overgang van schip naar koor; aan de noordzijde bevinden zich daarbij aan de binnenzijde drie nissen; de middelste met zijn voetstukje is waarschijnlijk een sacramentsnis voor het altaargerei geweest.

Aan de buitenkant zijn in de muur tegeltjes met een nummering gemetseld. Deze dienen om op de begraafplaats rond de kerk de rijen van graven aan te geven.

De vlakke toren met een zadeldak op de noord- en zuidzijde, die los aan de oostzijde van de kerk staat, dateert eveneens uit het midden van de 13e eeuw. Op het dak staat een houten spits. In de toren hangt een klok van Gerard van Wou uit 1501 (zie ook Zeerijp en Loppersum).

In de kerk worden de vier traveeën gesierd met romanogotische koepelgewelven (die er van boven als halve meloentjes uitzien), met steeds afwisselend metselwerk. Deze gewelven hebben elk acht ribben die in steeds andere rozetten samenkomen. Nog uit de 13e eeuw zijn de schilderingen in het schip en de baksteenimitatie op de wanden van het schip.

De rankornamenten en heiligenfiguren dateren uit de 14e eeuw; een afbeelding van het Laatste Oordeel dateert in zijn huidige vorm uit de 15e eeuw. De kleine karikaturaal aandoende prentjes in de kerk stammen eveneens uit deze tijd. Bij de bouw van het koor werden ook daar schilderingen aangebracht en werden de vensters voorzien van blokversieringen.

Afbeeldingen op het koorgewelf:

  • Christus als de man van smarten;
  • Handen van engelen die in de offerdienst hulp verlenen;
  • De symbolen van de vier Evangelisten;
  • Een zeemeermin met een spiegel en een kam;
  • Een hert (Christus die de duivel overwint);
  • Een haan (teken van waakzaamheid).

Afbeeldingen op het straalgewelf in de koorsluiting:

  • Vijf muziek makende engelen;
  • Een pelikaan
  • Een uil (symboliseert waarschijnlijk de Joden die liever in de duisternis verkeren het volk dat in duisternis wandelt).

Kansel

De kansel is gemaakt van mahoniehout in neo-klassieke stijl uit 1823. De onderbouw is blokvormig en vierkant. In de klassieke tempelbouw zou dit een stylobaat zijn. Daar boven, iets inspringend, bevindt zich een plint; en helemaal bovenop staat de ronde kuip, die slechts met architectonische middelen is versierd (toscaanse zuiltjes met een triglyphen- en metopenfries om lege vlakken). Rond de kansel staat een doophek.

Orgel

Het orgel is in 1662 gebouwd door H.Huis en stond aanvankelijk op de scheidingswand tussen koor en schip. In 1791 is het orgel door F.C.Schnitger en H.H.Freytag verplaatst en aangepast en heeft het zijn huidige orgelfront met snijwerk gekregen. Het is in de zestiger jaren van de 20ste eeuw gerestaureerd.

Borgen

Twee borgen domineren t Zandt: de borg Ompteda (rechts van de weg naar Spijk) in 1750 afgebroken en de borg Alberdaheerd (ten zuidoosten van t Zandt langs de weg naar Leermens), waarvan het terrein nog intact is, maar het gebouw niet.

2006 - Tekst: Anton van der Lingen, redactie: Eelco Bruinsma (Cheperu). Dit document is gemaakt in het kader van het project: 10 Kerken. Romanogotiek in Groningen

1-10 of 10