close reading

variaties op gedichten van Willem Kloos

Drie trioletten met regels van Kloos als refrein:


Het oude liedje

De zee, de zee klotst voort, in eindeloze deining

De zee waarin mijn ziel zichzelf weerspiegeld ziet

De zee is als mijn ziel, in wezen en verschijning:

De zee, de zee klotst voort, in eindeloze deining,

Zij drukt zichzelven uit in duizenderlei lijning,

Maar één fatsoenlijk vers te schrijven lukt haar niet

De zee, de zee klotst voort, in eindeloze deining

De zee waarin mijn ziel zichzelf weerspiegeld ziet...

© Hendrik Jan Bosman


De boot gemist

Ik ween om bloemen in den knop gebroken

En voor den uchtend van haar bloei vergaan,

Met gouden speld in mijn revers gestoken

Ween ik om bloemen in den knop gebroken,

Heb pas toen zij verdorden lont geroken,

Na urenlang alleen voor 't altaar staan

Ik ween om bloemen in den knop gebroken

En voor den uchtend van haar bloei vergaan

© Hendrik Jan Bosman


Mens sana

Ik ben een god in 't diepst van mijn gedachten

En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon

Uw oordeel, MPS, kon ik verwachten

(Ik bén een god in 't diepst van mijn gedachten)

Toch moet ik dit direct met klem ontkrachten:

Ik ben geen Geest, laat staan mijn eigen Zoon,

Ik ben één God, in 't diepst van mijn gedachten,

En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon!

© Hendrik Jan Bosman


Drie anaclepten (alle woorden van het origineel, in andere volgorde):


Plagiaat

Leen mij van uwe woorden. 't Zit zo:

Ik ben te arm aan heldere gedachten

over en van mijn diepst en binnenst eigen.

Mijn overdierbre en uitsnikkende zelf,

't valt niet op, al ben ik in een strijd.


En als 'k soms smacht naar eindloos om mij slaan

met in een hand een trots van voor den Vloed,

joelt 't heir van wilden terug (te luid): ‘God, god...’

en donkerwilde machten heffen mijn gloed

en eigen krachten op. Glorie en kroon vergaan.


Toch vond, in 't kalme kussen van mijn troon,

ik 't een en al: gedachten en rijksgeboôn,

ten diepst van langer zege, rond en waar,

van uit uw lippen in mijn ziel gevloôn.

woordelijk naar Kloos

© Hendrik Jan Bosman


Vakantieliefde

Gij levend wezen drukt zichzelve in belustheid

En wendt en klotst nog voort in eindeloze vreugd

Mijn lust is altijd eeuwig groot naar uw verschijning,

Wijl uit mijn ziel en onbewustheid, als de zee,


En groter, groter, op de menselijke deining

Waarin ik wist: zij is geheel en al als was

Zij kent geen pijn (de ziel!) in hare zelfgerustheid

Dan is zij blij, zingt klagend duizenderlei ‘O’


Zij keert zichzelve dan weer af, en in-gelukkig

Was ik in zee mijn menselijke lijning schoon

Dan eerst vliedt zij (de ziel!) om menslijke verreining


Weerspiegeld eeuwig lied: Eerst ik, niet waar?, dan gij!

En ziet: een zee zou zee zijn, zichzelven een zichzelf

En had zich, en zou zijn: zee, een eeuwige zee

woordelijk naar Kloos

© Hendrik Jan Bosman


Bruid in de morgen

Gij kwaamt. En als mijn knop ontsluit,

En roerloos heft de zwakke fluit,

En 't kopje gloeit van harte,


Is het ontloken en ontwaakt

En in den weer, omdat

Na eeuwge smart in stillen nacht

Weer gans van liefde vloeit

Den uchtend die gij zijt


'k Ween en ik ween door,

Geblaarte voor de oogjes,

Het is weer droevig zat, gezien

Den klacht dien werd gesproken:


Ik wist 't niet zo nauw, maar ik,

Op korten bloei gedoken,

Ik heb geen woord verstaan,

Haar eer gebroken


Denkt dat eens in: om mijn donker zijn,

Om een waan, een schaduw slechts,

Om 't sluimerend vaakrige niet,

Is het vergaan en heengegaan

Dag bloemen, vogel, hemel

woordelijk naar Kloos

© Hendrik Jan Bosman


Drie parodieën, categorie 'overig':

Zo'n net

Ik vis op sprot in 't diepste van de grachten,

Maar spreid het binnenst van een wiel ten toon,

Het rijwiel zelf, een tol; daar rijst een boon,

Een ijz'ren bed, een bezem; ijd'le vrachten.


En zegt een heer der donkerblauwe machten:

‘Wat doen wij? Stop!’, bek ik terug, gewoon,

Door 't heffen van mijn hand met hengel: ‘Zoon,

Ik vis op sprot in 't diepste van de grachten.


En och, zo eindloos wacht ik al of rond

De oever hier ik aan de haak zal slaan,

Mijn fuik uitzettende, zo pas geboet,


Een sprot of zalm. Verdorie, laat me gaan!’

Hij gruwt en glipt er na een milde groet

Van tussen, daar 'k iets vang: een dode hond.

© Hendrik Jan Bosman


Eindeloze deining

De zee, de zee klotst voort, in eindeloze deining

De zee, waarin mijn ziel zichzelf weerspiegeld ziet

Nu ik mij buig aan dek, diep over de omheining,

Haar afsta, groen en geel, mijn doperwtjes en friet

© Hendrik Jan Bosman


Dichterleed

‘Ik ween om bloemen in den knop gebroken

En vóór den uchtend van haar bloei vergaan’

Heer Kloos, uw klacht is naar mijn hart gesproken

Om kinderen, te jong nog heengegaan


Maar lees ik door, ontneemt u mij die waan:

‘Ik ween om liefde die niet is ontloken,

En om mijn harte dat niet werd verstaan.’

Daar komt de brulaap uit de mouw gedoken


Geen kinderlijkjes geldt uw dichtersklacht

Geen kinderbloed dat—steeds onschuldig—vloeit

Geen jeugd, voor wie geen toekomst zich ontsluit


U liep een blauwtje. Nou? So what? Geen fluit!

Narcistisch puberaal, zo'n hart dat gloeit

Om één in eigen bed geslapen nacht

© Hendrik Jan Bosman

Deel inzending Literaire Prijs van Nijmegen 1995