N

nee + persoonlijk voornaamwoord (zie ook onder "ja")
niënok  (ik)
niëg-niëggij (gij)
niën(ee/ij) - nèns - nènt  (resp. hij-zij-het)
niëm (wij)
nèns  (zij-meervoud)


nau
   nu ...
nauëls   nagels ...
naulde    naald ...
nauldekoker    waterjuffer, libel
nei - nèm   ziedaar ! ...
neut'n   zagen, klagen,...
nieverans   nergens ...
niewird-niewèrd  
nietswaard,deugniet ...

nísteg   naarstig,vlijtig ...       als afscheid werd ook vroeger soms gezegd: "allez, de nistigheid hé !"
(t)noaste (weeke, moond,joar(e))    volgend(e) (week, maand, jaar) ...
noes   schuin     (noesover = schuinover)
noes en tswis:   dwarsliggen, tegenwerken
normalke   soort onderlijfje in wol, zonder mouwen ...
nuuën (goan ....)   letterlijk: gaan noden. Wanneer iemand overleden was ging men dat in de buurt mededelen

Ć
naulde.mp3
(280k)
Marc Van Den Broecke,
22 feb. 2016 08:35