I

iëffer(e)   juffrouw, ook "de juffrouw"(lerares) ...
iëmer(e)   emmer ...
ieverans(t)   ergens ...
intèrten   nieuwe schoenen inlopen ...
irrebezen   aardbeien ...
irrewitses-irreweten  erwtjes-erwten ...
isgat   stronk vd boom die nog in de aarde bleef zitten ...