Reseda lutea / Wilde reseda

De Resedafamilie kent twee vertegenwoordigers in ons land die opvallen door hun trosvormige bloeiwijzen waarin een groot aantal tamelijk kleine bloemen staan die groengeel tot geel van kleur zijn. De bloemen staan op korte stelen in de oksel van kleine schutbladen. De bloemetjes hebben kelk en kroonbladen, zijn tweeslachtig en als je goed kijkt zie je dat ze tweezijdig symmetrisch zijn.

De vele trossen met kleine gele bloemen staan aan de vanaf de basis zeer sterk vertakte planten van de Wilde reseda, Reseda lutea. De plant onderscheidt zich daarin van de Wouw; ook de vorm van de bladeren is anders. Wilde reseda heeft geveerde bladeren, waarbij de veren soms zelf nog geveerd zijn. Het is een ruigte plant die een voorkeur heeft voor steeds weer opnieuw vrije bodemoppervlakken, die door erosie ontstaan.

Alle soorten uit het geslacht Reseda bevatten gele en rode kleurstoffen die reeds lang door de mens gewonnen en gebruikt worden. De wetenschappelijke soortnaam "lutea" betekent "geel" en komen we ook tegen in het begrip "corpus luteum" een onderdeel van het ovarium bij zoogdieren.

J Ethnopharmacol. 2014 Apr 11;153(1):125-32. doi: 10.1016/j.jep.2014.01.034. Epub 2014 Feb 5.
Cytotoxic effect of Reseda lutea L.: A case of forgotten remedy
Niko S Radulović 1, Dragan B Zlatković 2, Tatjana Ilić-Tomić 3, Lidija Senerović 3, Jasmina Nikodinovic-Runic 3
Ethnopharmacological relevance: Reseda lutea L. (Resedaceae) or Wild Mignonette is a widely distributed plant species. Pliny the Elder (AD 23-AD 79), a Roman scholar and naturalist, reported the use of R. lutea for reducing tumors in his Historia naturalis. Accounts of the beneficial effects of R. lutea in tumor treatment could also be found in the works of later authors, such as Étienne François Geoffroy (1672-1731) and Samuel Frederick Gray (1766-1828). However, to date no in vivo or in vitro evidence exists in support of the alleged tumor healing properties of R. lutea.

Materials and methods: The composition of autolysates obtained from different organs (root, flower and fruit) of R. lutea was investigated by GC and GC-MS analyses and IR, 1D and 2D NMR spectroscopy. These analyses led to the discovery of a new compound isolated in pure form from the flower autolysate. Autolysates and their major constituents were submitted to MTT-dye reduction cytotoxic assay on human A375 (melanoma) and MRC5 (fibroblast) cell lines. Mechanism of the cytotoxic effects was studied by cell cycle analysis and Annexin V assay.

Results: Benzyl isothiocyanate and 2-(α-l-rhamnopyranosyloxy)benzyl isothiocyanate were identified as the major constituents of the root and flower autolysates, respectively (the later represents a new natural product). These compounds showed significant antiproliferative effects against both cell lines, which could also explain the observed high cytotoxic activity of the tested autolysates. Cell cycle analysis revealed apoptosis as the probable mechanism of cell death.

Conclusions: Tumor healing properties attributed to R. lutea in the pre-modern texts were substantiated by the herein obtained results. Two isothiocyanates were found to be the major carriers of the observed activity. Although there was a relatively low differential effect of the plant metabolites on transformed and non-transformed cell lines, one can argue that the noted strong cytotoxicity provides first evidence that could explain the long forgotten use of this particular species.


Comments