Fumaria officinalis / Duivekervel

Fumaria etymologie

Fumaria stamt af van het Latijnse woord fumus: rook. Bij de Ouden was het een plant waarvan het sap, op de ogen gestreken, tranen te voorschijn doet treden, terwijl men dan het gevoel krijgt alsof er rook in gekomen is. Heukels geeft de volgende verklaring: Omdat men vroeger meende dat de plant zich ook uit damp of walm die uit de aarde opsteeg, kon ontwikkelen. Een oude naam, die daar op wijst is ook Eertroock bij Dodonaeus. Voor hem komen we reeds overeenkomstige namen tegen. We zullen enkele namen de revue laten passeren. In het Herbarius van 151 4 als Eertsrooc, terwijl we de naam Ertroich in een vroegmiddeleeuws glossarium tegenkomen. Waarschijnlijk zijn deze namen afkomstig van de naam die Albertus Magnus in ca. 1250 aan de plant gaf, namelijk Fumus terrae: aardrook. Hij zal zich wel georiënteerd hebben op de oude Romeinse of Griekse auteurs. 

Volksnamen van deze plant zijn onder meer in Frankrijk, Duitsland en Engeland; respectievelijk, Fumée de terre, Erdrauch en Earthsmoke. Een ander meent dat de bladeren en de bloemen het stof van de moestuin of akker, waar deze soort voorkomt, vasthouden en dat bij het schudden van de plant het stof als 'rook' in de lucht verstuift. Anderen beweren juist het tegenovergestelde, namelijk dat de plant het stof op de bladeren en bloemen vasthoudt, en wijzen erop dat bij enige Fumariasoorten de bladeren en de toppen van de bloemen er als berookt uitzien. 

Anderen zoeken de 'verklaring' in een andere richting en menen dat bij het verbranden de zich dan ontwikkelende rook schadelijk voor de gezondheid zou zijn; daarbij komt, zeide men, dat zij een rook- of roetsmaak heeft. Volgens weer anderen is de naam ontstaan omdat de plant een min of meer blauw berijpt aanzien heeft, en men vertelde elkaar dat dit veroorzaakt werd door de blauwachtige nevel die in het voorjaar over de landerijen hangt. 

De naam Duivekervel kreeg zij omdat de duiven de plant gaarne aten en door de gelijkenis van de bladeren met die van de kervel. De naam Duivelskervel in oostelijk Drente is wellicht ontstaan uit een verkeerd verstaan en Duivekervel werd verbasterd tot Duivelskervel. Hierbij moet echter vermeld dat in het Rheinland volgens Niessen de naam Düvelskarvel voorkomt, waarbij hij nog toevoegt: 'wegen schadlicher Wirkungen.' Van deze schadelijke werking hebben we nog niets kunnen vinden. De Drentse volksnaam Duivelskervel kan dus ook onder invloed van het nabije Duitse gebied ontstaan zijn. In Noord-Limburg spreekt men van Duivenkrop, naar de gelijkenis van de spoor van de bloem met de krop van een duif. De naam Duyvenkrop komen we reeds tegen in 1543 bij L. Fuchs en in de oorspronkelijke Duitse uitgave van zijn werk in hetzelfde jaar heet de plant Taubenkropf. In het Middelhoogduits komen we de naam Tubenkropf tegen. 

De naam Akkerkruid levert, gezien de groeiplaats, geen moeilijkheden op; dit is eveneens het geval met Vogeltjes en Vogeltjes-op-ainbain in het Groningse, die op de vorm van de bloem slaat. In Zeeuws-Vlaanderen spreekt men van Wilde kruidnagels, naar de vorm van de ruwe vrucht. De naam Grijsekom, eertijds ook Grize, Grïsecom en Grijsecom, heeft de Duivekervel te danken aan een Oudnederlands woord, te weten grijnsen, dat wenen of huilen beduidt, en slaat op het krijgen van tranen in de ogen, zoals hier reeds te voren vermeld is bij de verklaring van de wetenschappelijke geslachtsnaam. 

E. Paque schrijft: 'De plant heeft daarenboven fijne grijsachtige bladeren die bolvormig groeien en daardoor op een grijze kop (of kom) gelijken. De plant wordt gebruikt tegen leepogigheid of grijzende ogen.' Dit grijzende ogen is een andere naam voor staar op de ogen. Daarom werd de plant in de volksgeneeskunst gebruikt ter bestrijding van dit euvel, of verduistering van het gezicht, zoals dat vroeger heette. Dat de plant in de geneeskunde gebruikt werd kunnen we opmaken uit de Latijnse soortnaam officinalis, dat betekent in de apotheek gebruikt. Onder de naam Fvmus Terrae was de plant daar aanwezig. Zo werd het sap als bloedreinigend middel aangewend, verder bij spoelwormen, gal- en leverbezwaren en podagra. Men vertelde elkaar vroeger, om het haardvuur, dat tovenaars en heksen, door de plant in hun offervuren te werpen, door de rook onzichtbaar werden of de zielen van de gestorvenen konden bezweren. 

Van iets vrolijker aard was het verhaaltje dat jonge meisjes elkaar vertelden, dat, wanneer je Duivekervel op je boezem droeg, de eerste de beste vrije man die je tegenkwam je toekomstige echtgenoot worden zou. Dat het kruid bij de trouwlustige deerns in aanzien stond, en als schoonheidsmiddel werd gebruikt, kunnen we vernemen uit het versje van J. Clare. Dat kort gezegd en vertaald luidde: Pluk de rode en purper gespikkelde bloemen van dit plantje tijdens het wieden. Kook het met water, melk en wei, was je gezicht ermee op feestdagen en je hebt weer blozende wangen. Een heel wat goedkoper schoonheidsmiddeltje dan de tegenwoordige.

Tekst uit Planten en hun naam


FUMARIAE HERBA 2018 Fumitory / Escop

DEFINITION Fumitory consists of the whole or fragmented, dried aerial parts of Fumaria officinalis L. harvested in full bloom. It contains not less than 0.4 per cent of total alkaloids, expressed as protopine (C20H19NO5 ; Mr 353.4) and calculated with reference to the dried drug. The material complies with the monograph of the European Pharmacopoeia [Fumitory]. 

CONSTITUENTS The main characteristic constituents are isoquinoline alkaloids (0.3-1.3%) of the protopine, spirobenzylisoquinoline, protoberberine, benzophenanthridine and indenbenzazepine types, the principal ones being protopine and fumarophycine together with sinactine, sanguinarine, fumarofine and others. Over 20 alkaloids have been identified [Manske 1938; MacLean 1969; Hermansson 1973; Murav’eva 1975; Forgacs 1982, 1986; Mardirossian 1983; Sener 1985; Sousek 1999; Suau 2002; Sturm 2006; Paltinean 2016; Gorecki 2010; Blaschek 2016]. Other constituents include flavonol glycosides such as quercitrin, isoquercitrin, rutin, quercetin 3,7-diglucoside, quercetin 3-arabinoglucoside and their aglycones [Massa 1971; Torck 1971; Păltinean 2017], aliphatic acids (fumaric and malic acids), several hydroxycinnamoylmalic acids (a total of 1.3%), and hydroxycinnamic acids including caffeic, coumaric, sinapic and ferulic acids [Boegge 1995; Sousek 1999, Ivanov 2014]. 

CLINICAL PARTICULARS Therapeutic indications Digestive complaints (e.g. stomach ache, nausea, vomiting, feeling of fullness, flatulence) due to hepatobiliary disturbance [Fablet 1963; Colson 1967; Roux 1967; Salembier 1967; Warembourg 1967; Dornier 1968; Devin 1969; Heully 1969; Fiegel 1971; Roux 1977; Zacharewicz 1979; Bradley 1992; Gorecki 2010; Blaschek 2016]. 

Posology and method of administration Dosage Adult daily dose: 4-6 g of the drug as an aqueous dry extract [Fablet 1963; Colson 1967; Roux 1967, 1977; Salembier 1967; Warembourg 1967; Dornier 1968; Devin 1969; Heully 1969; Fiegel 1971; Zacharewicz 1979] or infusion [Bradley 1992; Gorecki 2010; Barnes 2007; Blaschek 2016]; other equivalent preparations, e.g. liquid extract (1:1, ethanol 25% V/V) and tincture (1:5, ethanol 45% V/V) [Bradley 1992; Barnes 2007]. 

Hepatobiliary effects 

No significant variations in bile flow were observed after intravenous administration of an aqueous dry extract (not further specified) to rats at 25, 50 and 100 mg/kg in the bile fistula model [Boucard 1966a, 1966b]. When the extract (50 mg/kg) was administered intravenously 30 minutes before or at the same time as sodium dehydrocholate (25 mg/kg), increases in bile flow 1 hour later were 45% and 28% respectively, compared to 66% when the choleretic agent was given alone [Boucard 1966b]. Under similar conditions, the increase in bile flow of 77% after sodium dehydrocholate (25 mg/kg) was reduced by simultaneous administration of the fumitory dry extract, to 55% (25 mg/kg of sodium dehydrocholate + 25 mg/kg of extract), 43% (25 mg/kg of sodium dehydrocholate + 50 mg/kg of extract) and 35% (25 mg/kg of sodium dehydrocholate + 100 mg/kg of extract) [Boucard 1966a]. 

A reduction in bile secretion induced by oral administration of 10 mg/kg of sodium azide was almost completely antagonized by simultaneous oral administration of the extract at 100 mg/kg [Boucard 1966b]. The same extract was administered intravenously to bile ductcannulated dogs at 20 or 50 mg/kg. In dogs with low biliary output (0.09-0.20 mL/hour/kg) increases in bile flow of 29-218% were observed, while those with a high biliary output (0.63- 1.38 mL/hour/kg) were characterized by reductions of 27-41%. Similar effects were observed with the extract in the presence of the choleretic agent sodium dehydrocholate, administered intravenously [Giroux 1966]. The choleretic activity of an aqueous dry extract (not further specified) intravenously administered at 40 mg/kg was confirmed in both normal rats and sodium azide-induced hypocholeretic rats in the bile fistula model. On the other hand, increased bile secretion induced by sodium hydrocholate was not reduced by intravenous administration of the extract at 40 mg/kg [Kimura 1972]. 

Intraduodenal administration of an alkaloid-rich dry extract (not further specified) to bile duct-cannulated rats at 200 mg/ kg produced, not only an increase of 23% in bile flow, but also increases in biliary-excreted bilirubin and cholesterol of 33% and 20% respectively, in comparison to control. Under the same conditions protopine at 6 mg/kg produced comparable effects, while sodium dehydrocholate at 25 mg/kg had an effect only on the excreted volume [Reynier 1977]. The effect of an aqueous dry extract (not further specified) on 3 experimental cholelithiasis, induced by a diet supplemented with cholesterol-cholic acid, was evaluated in mice at two dosages, 0.2% and 0.4%, as an addition to their lithogenic diet. After 6 weeks of treatment the mean numbers of gallstones per mouse were significantly reduced (p<0.05), from 1.61 in the control group to 1.00 in the 0.2% group and 0.64 in the 0.4% group [Lagrange 1973]. 

Hepatoprotective effects 

An aqueous dry extract (not further specified) was administered intravenously at 50 and 100 mg/kg b.w. to normal rats and to rats intoxicated with a single i.p. dose of carbon tetrachloride (CCl4 ). Compared to controls 48 hours after administration of CCl4 , alkaline phosphatase activity was unchanged in excreted bile and serum, while in the liver it was significantly higher (p<0.01) in the group of CCl4 -intoxicated rats that received 50 mg/kg of extract and in each of the groups treated with 100 mg/kg of extract, indicating stimulation of hepatocytes [Guesnier 1974].

https://escop.com/wp-content/uploads/edd/2018/11/Fumaria-herba-ESCOP-2018.pdf



FUMARIA OFFICINALIS L. Duivekervel - Aardrook. Monografie Opleiding Herborist 

ALGEMENE EN BOTANISCHE INFORMATIE 
Familie: Papaveraceae - Papaverachtigen. Ecologie: Eenjarig akkeronkruid. Naamverklaring: Fumaar = mest, fumus = rook (uit de aarde) MATERIA MEDICA Fumariae herba De bovengrondse bloeiende plant. 

SAMENSTELLING 
** Alkaloïden uit protopinegroep o.a. fumarine ** Fumaarzuur * Bitterstoffen * Flavonoïden (o.a. rutine) 

FARMACOLOGIE 
** Spasmolyticum op de galwegen. ** Amficholereticum: regulerende werking op de galaanmaak via de sfincter van Oddi. * Tonicum (bloeddrukverhogend). * Bloedzuiverend. * Positief inotroop en chronotroop effect. 

INDICATIE 
LEVER EN GAL 
** Acute galproblemen ** Chronische galwegdyskinesieën o.a.: hoofdpijn, biliaire migraine,vol gevoel, braakneigingen Zie ook Mentha, Tanacetum… 

BLOED EN BLOEDVATEN 
** Artheriosclerose Zie ook Allium, kruiden bloedvaten * Hyperglobulie * Hyperviscositeit van het bloed * Anemie Zie ook Urtica en Foenum graecum… 

HUID 
* Psoriasis (fumaarzuur) Zie Viola tricolor en Sarsaparilla 

RECEPTUUR EN BEREIDINGSWIJZEN 
Infuus: 50 g/1 l/10'. Dos.: 3 x daags 1 kop, afwisselend 10 dagen wel, 10 dagen niet gebruiken. 
Siroop: R./ Succus 1500 g Ber.: dec. 5'. Suiker 1500 g Dos.: ± 3 eetl./d. 
Species: Species aperitivae DRF. R./ Agropyron rhiz. 10 Urticae hb. 10 Fumariae hb. 20 Viola hb. 20 Juglandis fol. 20 Ber.: dec. 1 koffielepel per kop. Frangulae cort. 20 Dos.: 3 x daags 1 kop. 

GESCHIEDENIS EN WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK 
- Plinius en Dioscorides: Tonische en depuratieve werking. 
- Arabieren: Frisse teint huid. 
- Hortus Sanitas: 1 ste Duitse kruidenboek - 1485. 
- Fuchs - 1543: Tegen lever- en galklachten, bij huidaandoeningen. 
- H. Marzell: "... Jonge meisjes die Duivekervel op de borst dragen, de man zullen trouwen die hen het eerst ontmoet ..." 
- S. Blankaart - 1698: O.a. tegen schurftheid. 
- Galenus, Brunfelsus, e.a.: Verstoptheid, geelzucht, scheurbuik, langdurige koortsen en schurft. 
- Culpeper : "The juice dropped into the eyes, clears the sight, and takes away redness and other defects in them... The juice of the fumitory and docks mingled with vinegar, and the places gently washed or wet therewith, cures all sorts of scabs, pimples, blotches, wheals [welts], and pushes which rise on the face or hands, or any other part of the body." In the 1750s, John Hill (1820) wrote: "Some smoke the dried leaves in the manner of tobacco for disorders of the head with success" - The expressed juice is considered an excellent remedy against scurvy (Hill 1820; Salisbury 1961). 
- John Hill (1820) wrote: "Some smoke the dried leaves in the manner of tobacco for disorders of the head with success" (Le Strange 1977) 
- H. Leclerc: La Fumeterre, ses vertus depuratives et diphléthorosantes. Revue de phytoth., 1942. 
- J. Prudhomme: Ontdekte dubbele werking: Eerst opwekkend (tonicum), daarna hypostenisch en antiplethorisch. Dit werd bevestigd door Leclerc (bloedonderzoek), eerste 10 d. verhoging rode bloedlichaampjes, later langzame daling.

Comments